Naar hoofdinhoud
De volgens de artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van de vakantie, wordt verhoogd: voor een niet-volwassene tot en met het kalenderjaar, waarin hij of zij de 18 jarige leeftijd bereikt, met 2 x 7,2 uur en vervolgens tot en met het kalenderjaar waarin hij de 20-jarige leeftijd bereikt met 1 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 30-jarige leeftijd bereikt, tot en met het kalenderjaar, waarin de 34-jarige leeftijd wordt bereikt, met 1 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 35-jarige leeftijd bereikt, tot en met het kalenderjaar, waarin de 39-jarige leeftijd wordt bereikt, met 2 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 40-jarige leeftijd bereikt, tot en met het kalenderjaar, waarin de 44-jarige leeftijd wordt bereikt, met 3 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 45-jarige leeftijd bereikt, tot en met het kalenderjaar, waarin de 49-jarige leeftijd wordt bereikt, met 4 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 50-jarige leeftijd bereikt, tot en met het kalenderjaar, waarin de 54-jarige leeftijd wordt bereikt, met 5 x 7,2 uur; over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de 55-jarige leeftijd bereikt en volgende jaren met 6 x 7,2 uur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel