Van een vrijlating van inkomen uit arbeid als bedoeld in art. 1 derde lid onder a en b kan slechts sprake zijn als de vrijlating naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Het begrip arbeidsinschakeling is in de Pw (artikel 6 1e lid onder b) en de IOAW-IOAZ (artikel 4a onder a) gedefinieerd als “het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in art. 7 1e lid onderdeel a Pw resp., art. 34 1e lid onderdeel a IOAW-IOAZ”. Gedoeld wordt bijvoorbeeld op gesubsidieerde arbeid. Uit het vermelde bij de Algemene toelichting (onder 4. Huidig beleid Werkpleingemeenten) en de daar aangehaalde jurisprudentie blijkt dat de beoordeling of een inkomensvrijlating bijdraagt aan dit doel steeds individueel maatwerk moet betreffen. Dat laat onverlet de bevoegdheid van het college om kaders te stellen waarbinnen deze beoordeling geschiedt. Met de in het tweede lid vermelde criteria zijn deze kaders nader geconcretiseerd en afgebakend.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 3
– Bijdragen aan arbeidsinschakeling
Onderdeel van VRIJLATING INKOMSTEN UIT ARBEID EN VRIJLATING KOSTENVERGOEDING VRIJWILLIGERSWERK PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZ