1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de commissie.
2. De commissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
a. binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift, indien voor de aanvraag de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt doorlopen
b. binnen vier weken na datum van verzending van het afschrift, indien voor de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen..
3. bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijnen wordt de commissie geacht geadviseerd te hebben en wordt het ambtelijke monumenten advies gevolgd.
4. het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in artikel 10, het tweede lid, gelden niet indien het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.
5. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorwaarden verbinden betreffende nader uit te voeren (destructief) onderzoek, vereiste technische deskundigheid, de uitvoering en materiaaltoepassingen.
6. Het bevoegd gezag stelt bij een aanvraag als bedoeld in artikel 10, het tweede lid eisen aan de deskundigheid en uitvoering van het onderzoek.
7. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in artikel 10, het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.