Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 3

Artikel 5.3.2

Standplaatsen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2007

1.. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek. 2.. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid. 3.. De in het eerste lid, onder b en in het derde lid gestelde verboden gelden niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 4.. De in het eerste en derde lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor uitstalling van goederen voor een winkel als bedoeld in artikel 2.1.4.2; een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1 terrassen bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.6; 5.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement, de Wegenverordening Zuid-Holland of de Marktverordening van de gemeente Ridderkerk. 6.. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse; gelet op de grootte en/of het uiterlijk van de verkoopinrichting. 7.. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een milieuwetplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vorige lid, tot de dag waarop de beslissing over de milieuvergunningaanvraag is genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel