169.1
Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur.
169.2
Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
169.3
Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
169.4
Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
169.5
Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
Bijlage 2 bij de gedragscoderegeling politieke ambtsdrager Gemeente Oisterwijk
Bijbehorende artikelen V en X van de Kieswet
Artikel V4 Geloofsbrieven onderzoek
Het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing is geschied, onderzoekt de geloofsbrief onverwijld en beslist of de benoemde als lid van dat orgaan wordt toegelaten. Daarbij gaat het na, of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, en beslist het de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen. Indien de benoemde voor de eerste samenkomst van het nieuw gekozen orgaan de voor het lidmaatschap vereiste leeftijd zal hebben bereikt, wordt daarmee bij het nemen van de beslissing rekening gehouden. De wijze waarop het onderzoek van de geloofsbrieven van de leden van de Tweede, onderscheidenlijk van de Eerste Kamer geschiedt, wordt geregeld in het reglement van orde van de desbetreffende kamer.
Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.
Betreft het de toelating van degene die is benoemd in een tussentijds opengevallen plaats, dan strekt het onderzoek zich niet uit tot punten die het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag betreffen.
Bepalingen inzake beëindiging lidmaatschap
Artikel X1
Zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat een lid van een vertegenwoordigend orgaan een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, houdt hij op lid te zijn.
De voorzitter van het vertegenwoordigend orgaan geeft hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van het centraal stembureau.
Een overeenkomstige kennisgeving vindt plaats, indien door het overlijden van een lid een plaats in het vertegenwoordigend orgaan is opengevallen.
Artikel X2
Een lid van een vertegenwoordigend orgaan, tot wiens toelating is besloten, kan te allen tijde zijn ontslag nemen. Ontslagneming met terugwerkende kracht is niet mogelijk.
Hij bericht dit schriftelijk aan de voorzitter van het vertegenwoordigend orgaan. Deze geeft hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van het centraal stembureau.
Op een ingediend ontslag kan niet worden teruggekomen.
Artikel X8
1.Het lid van de gemeenteraad dat in strijd met artikel 15, eerste lid van de
Gemeentewet handelt, kan in zijn betrekking worden geschorst door de voorzitter van de gemeenteraad. De voorzitter onderwerpt de zaak aan het oordeel van de raad in zijn eerstvolgende vergadering.
2.De raad kan, na de geschorste in de gelegenheid te hebben gesteld zich mondeling te
verdedigen, hem van zijn lidmaatschap vervallen verklaren. Indien hij daartoe geen aanleiding vindt, heft hij de schorsing op.
3.De raad kan ook ambtshalve het lid dat in strijd met artikel 15, eerste lid van de
Gemeentewet handelt, na hem in de gelegenheid te hebben gesteld zich mondeling te verdedigen, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren.
4.Van de beslissing van de raad, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt terstond aan
de belanghebbende mededeling gedaan.
De werking van een besluit, inhoudende de vervallenverklaring, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Ingeval de vervallenverklaring ambtshalve heeft plaatsgevonden, is het lid van de raad gedurende deze periode in zijn betrekking geschorst.
Indien een lid van de raad op grond van dit artikel onherroepelijk van zijn lidmaatschap vervallen is verklaard, doet de burgemeester daarvan mededeling aan de voorzitter van het centraal stembureau.
Bijlage 3 bij de gedragscoderegeling politieke ambtsdrager Gemeente Oisterwijk
Bijbehorende artikelen Gemeentewet
Voorbeelden
Hoofdstuk 2. Voorkomen van (schijn van) belangenverstrengeling
Oefening 1: Een raadslid is voorzitter van een voetbalvereniging.
Mag het raadslid zijn raadslidmaatschap combineren met dit voorzitterschap?
Antwoord: De Gemeentewet artikel 13 verbiedt de combinatie van deze functies niet.
De functie moet wel worden gemeld (zie artikel 2.14 code) en de griffier moet
zorg dragen voor bekendmaking van deze nevenactiviteit (artikel 2.15 code).
Let op: een raadslid moet al zijn functies melden.
Variant 1: De Sportnota wordt behandeld in de raad. Mag dit raadslid meestemmen?
Antwoord: Ja. In de Sportnota worden beslissingen voorgelegd die alle sport
betreffen. Er treedt dus a priori geen verstrengeling van belangen op als dit raadslid
mee doet aan de besluitvorming in de raad. Kennis bij raadsleden over sport is van
groot belang om kwalitatief goede besluiten over sport te nemen voor de stad. Het is
dus van belang dat hij meedoet in de besluitvorming.
Let op: De redenatie ‘bij twijfel niet meestemmen’ gaat niet altijd op. Het ligt in de kern
van de taak van een politicus om te stemmen. Hij mag dus slechts in een beperkt
aantal – in de wet genoemde gevallen - niet meestemmen. Meestemmen mag niet als
het belang van een raadslid ('of een individu of organisatie waarbij hij een persoonlijke
betrokkenheid bij heeft') wordt verstrengeld met het algemeen belang. In alle andere
gevallen, is het devies om te stemmen. Er kan een schijn van belangenverstrengeling
ontstaan in een situatie waardoor een raadslid overweegt niet mee te stemmen.
Natuurlijk dient het raadslid de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Maar
vaak zijn er in specifieke situaties nog andere mogelijkheden om actief de schijn van
belangenverstrengeling te voorkomen anders dan niet meestemmen.
Variant 2: De raad moet besluiten over uitbreiding van voetbalvelden. Ook de club
waar het raadslid voorzitter van is wordt genoemd. Mag hij meestemmen?
Antwoord: Nee, artikel 2.2. van de gedragscode verbiedt het raadslid mee te
stemmen. De club is een van de (duidelijke) belanghebbenden in dit besluit dus een
verstrengeling van belangen is aan de orde: het belang van de club dat hij geacht
wordt te dienen als voorzitter enerzijds en het belang van de stad voor de uitbreiding
van voetbalvelden.
Variant 3: Mag dit raadslid een ander lid van de fractie het woord laten voeren op dit
dossier?
Antwoord: Dat mag. Maar het gaat bij de mogelijkheid om de besluitvorming te
beïnvloeden verder dan alleen het overdragen van het woordvoerderschap op dit
dossier. Het raadslid/de voorzitter van de voetbalclub mag op grond van artikel 2.3
van de gedragscode ook intern het standpunt van de fractie niet beïnvloeden over de
uitbreiding van de voetbalvelden. Omdat de burger niet kan controleren of hij dat ook
daadwerkelijk niet heeft gedaan, is het zaak dat alle fractieleden er op toezien dat ook
in de interne oordeels- en besluitvorming de activiteiten van dit raadslid gescheiden
blijven; dus de collega geen oordeel vragen / de andere fractieleden en oordeel geven over deze kwestie.
Variant 4: Als het raadslid/de voorzitter tegen de uitbreiding van velden van zijn eigen club zou stemmen, dan is toch voor de burger te zien dat hij zijn raadswerk en zijn voetbalwerk scheidt? Dan kan hij toch meestemmen?
Antwoord: Nee, ook dan mag hij op grond van artikel 2.2. niet meestemmen. Wellicht
komt het de voetbalclub om redenen die niet bekend zijn, veel beter uit als de
uitbreiding bij een andere club geschiedt. Dan zou het weliswaar lijken alsof hij in het
belang van de stad (en niet van de club) zou stemmen, maar hij doet dat feitelijk niet.
Stemgedrag is dus niet relevant in deze situatie.
Variant 5: De raad moet besluiten over uitbreiding van voetbalvelden. Voetbalclub X
wordt genoemd als kandidaat. Het kind van een raadslid (niet zijnde de voorzitter van
de voetbalclub) zit op voetclub X. Mag het raadslid meestemmen?
Antwoord: Ja, het raadslid moet gewoon meestemmen. De relatie tussen het raadslid
en de voetbalclub is niet van dien aard dat er sprake of dreiging is van een
onwenselijke verstrengeling van persoonlijk belang met het algemeen belang. Zie ook
de opmerking onder variant 1 van bovenstaand voorbeeld.
Oefening 2: Een raadslid is tevens zzp-er. Hij verzorgt als trainer onder meer
trainingen 'De klant is koning'. De afdeling Burgerzaken van de gemeente Oisterwijk
vraagt hem deze training te verzorgen voor medewerkersdienstverlening. Mag hij de
opdracht aannemen?
Antwoord: Nee, hij mag deze opdracht niet aannemen. De Gemeentewet verbiedt
raadsleden in artikel 15 bepaalde overeenkomsten aan te gaan en bepaalde
handelingen te verrichten. In bovenstaande situatie is artikel 15, lid d/1e van
toepassing. Dat betekent dat het aannemen van de klus een overtreding van de
gemeentewet en daarmee van artikel 1.4 van de gedragscode zou zijn.
Variant 1: En als hij nu niet zelf voor de groep staat, maar iemand inhuurt die dat
namens zijn eenmansbedrijf doet?
Antwoord: Ook dan mag hij de klus niet aannemen, op grond van gemeenteartikel 15,
lid 1, d/1e. Het feit dat zijn bedrijf de overeenkomst rechtstreeks aangaat, maakt dat
dit artikel van toepassing is. Het aannemen van de klus is een overtreding van de
gemeentewet en daarmee van artikel 1.4 van de gedragscode.
Variant 2: En als hij de opdracht nu vrijwillig doet, dus zonder daarvoor een betaling te
krijgen?
Antwoord: Ook dan geldt dat hij de opdracht niet mag aannemen. Het gaat in dit
artikel om het aangaan van een overeenkomst. Of daar wel of niet voor betaald wordt
doet niet ter zake. Dat het raadslid niet wordt betaald is voor derden (waaronder ‘de
burger op straat’) niet zichtbaar en kan om die reden toch de schijn van
belangenverstrengeling opleveren. Het aannemen van de opdracht is een overtreding
van de gemeentewet en daarmee van artikel 1.4 van de gedragscode.
Variant 3: Een trainingsbureau heeft de opdracht van de gemeente gekregen om de
training 'De klant is koning' te verzorgen voor de medewerkers van Dienstverlening. Dit
bureau vraagt het raadslid/tevens zzp-er de training te verzorgen. Mag dit raadslid de
klus aannemen?
Antwoord: Nee. De overeenkomst met de gemeente wordt weliswaar niet rechtstreeks
aangegaan, maar via het trainingsbureau. 'Middellijk' verricht het raadslid dus wel
betaald) werk voor de gemeente. Het aannemen van de klus is een overtreding van
de gemeentewet.
Oefening 3: Een raadslid is naast zijn raadslidmaatschap leerlingbegeleider en weet
om die reden veel over jeugdzorg. Mag hij woordvoerder in de raad zijn op dit
onderwerp?
Antwoord: Ja, dat mag. Het is van belang dat raadsleden kennis hebben over wat zich
afspeelt in het maatschappelijk middenveld. Mede daarom wordt een combinatie van
functies slechts zelden uitgesloten bij wet. Het raadslid mag alleen niet het standpunt
van de fractie (en de raad) dusdanig beïnvloeden dat het onterecht positief uitpakt
voor zijn eigen werkgever.
Hoofdstuk 3 Omgaan met informatie
Oefening 4: De raad heeft het voornemen om de bestemming van een gebied te
wijzigen zodat het mogelijk wordt om in dat gebied huizen te bouwen. Verschillende
commerciële partijen en andere belanghebbenden hebben hier een stevige lobby voor
gevoerd en zijn verheugd dat de raad het serieus in overweging neemt. Het college
heeft besloten het dossier geheim te verklaren en de raad heeft dit bekrachtigd. Er
wordt in de pers echter regelmatig over het dossier geschreven. Vaak zit men er maar
weinig naast, wat er op duidt dat er wellicht door een of meerdere raadsleden gepraat
wordt met journalisten. Een raadslid is van mening dat het geheim behandelen van
deze kwestie niet langer opportuun is. 'Alles ligt toch al op straat'. Mag hij ingaan op
het verzoek van een journalist om met hem over het dossier te spreken?
Antwoord: Nee, het spreken met anderen over deze kwestie is een overtreding van
artikel 272 van het wetboek van strafrecht (lekken van geheime informatie) en van
artikel 3.2 van de gedragscode. Alleen het bestuursorgaan dat de geheimhouding
heeft opgelegd (in dit geval het college) ), of het orgaan dat de geheimhouding heeft
bekrachtigd (de raad) kan het geheime karakter van de stukken opheffen. Zolang dat
niet is gebeurd, ook al is de meeste informatie in de krant verschenen, is het spreken
over de kwestie een schending van de geheimhoudingsplicht wat zelfs strafbaar kan
zijn.
Oefening 5: (twitterbericht) ‘@toneelgroepdeblauwemaandag Ik zit hier in een
besloten vergadering over de toekenning subsidies. Het is spannend.
#bezuinigenaltijdmoeilijk’
Antwoord: Niet doen. In een besloten vergadering worden zaken vertrouwelijk
besproken. Een twitterbericht als dit is dus een overtreding van artikel 3.2 van de
gedragscode.
Oefening 6: Het is nog niet bekend gemaakt wanneer de inschrijving voor de nieuwe
huizen in een net ontwikkeld gebied van start zal gaan. Een raadslid schat in dat met
een beetje goede wil van politiek en ambtenarij dit waarschijnlijk midden in de zomer
zal plaatsvinden. Zijn zus wil graag wonen in dat gebied. Mag hij zijn zus
waarschuwen niet in die periode op zomervakantie te gaan, zodat zij als eerste kan
inschrijven?
Antwoord: Nee, het waarschuwen van zijn zus is in overtreding met artikel 3.3. Deze
inschatting kan alleen gemaakt worden door een persoon die veel voorkennis heeft.
Dit raadslid heeft beschikking over informatie die andere burgers niet hebben wat hem
een informatievoorsprong geeft. Dit aanwenden ten bate van zijn zus is dus in
overtreding met artikel 3.3 van de gedragscode en mogelijk een verstrengeling van
belangen.
Oefening 7: Een raadslid stelt in de commissie keer op keer vragen over het
opheffen van parkeerplaatsen in de gemeente. Hij vraagt meermaals onderliggende
dossierstukken, iedere keer van andere aard. De stukken zijn verstuurd en de andere
raadsleden menen dat zij voldoende geïnformeerd zijn. Maar daar neemt deze
politicus geen genoegen mee. ‘Je maakt je er van af!’, zegt hij geërgerd tegen de
wethouder. Waarna hij opnieuw aanvullende verzoeken doet voor het verkrijgen van
achterliggende informatie omtrent de opheffing van de parkeerplaatsen. Is deze
politicus in overtreding met artikel 3?
Antwoord: Het uitgangspunt is dat raadsleden informatie mogen vragen en dat het
college deze dient te verstrekken. Daar zit een grens aan. De wet stelt als grens dat
het gaat om inlichtingen die de raad voor zijn taak nodig heeft. Daarbij komt dat de
ambtelijke organisatie beperkt capaciteit heeft en dat van raadsleden niet wordt
verwacht dat zij het werk van ambtenaren en college opnieuw doen. Wanneer het
college aan zijn informatieplicht heeft voldaan en het raadslid is niet tevreden, dan kan
hij het verschil van mening voorleggen aan een commissie uit de raad.
Hoofdstuk 4 Omgaan met geschenken, faciliteiten, diensten, excursies en
evenementen. Voorkom corruptie.
Oefening 8: Een raadslid heeft een lezing gegeven op een bewonersbijeenkomst. Na
afloop krijgt hij een bos bloemen. Mag hij die aannemen?
Antwoord: Ja, de bos bloemen kan gezien worden als een geschenk dat uit
hartelijkheid wordt gegeven en waarvan het niet accepteren de gever op dat moment
ernstig in verlegenheid zou brengen. Het is bovendien niet het type geschenk dat de
schijn van corruptie opwekt.
Let op: Oefening 4 komt regelmatig voor. Politici staan veel op podia en krijgen vaak
als dank bloemen, boekenbonnen, flessen wijn, pennen, koffiemokken en andere typen geschenken uit de categorie 'bagatelgiften'. In veel van dergelijke situaties is het weigeren (hoewel het devies) praktisch onmogelijk zonder de gever in verlegenheid te brengen.
Oefening 9: De gemeenteraad krijgt van het 'goede doelen programma' van Siemens,
met veel korting een videoconferencing-systeem aangeboden. Met dit systeem
kunnen raadsleden vanaf een andere locatie toch deelnemen aan een beraadslaging.
Zo laat het bedrijf zien goede besluitvorming zeer van belang te vinden en te willen
ondersteunen. Mag deze faciliteit worden aangenomen?
Antwoord: Nee, het aannemen van het systeem, is een overtreding van artikel 4.1 van
de gedragscode.
Oefening 10: Raadsleden en Collegeleden krijgen van de organisatie van Intents festival
een dagkaart voor het festival aangeboden. Mag deze kaart geaccepteerd worden?
Antwoord: Nee, het aannemen van de kaart, is een overtreding van artikel 4.1 van de
gedragscode. Een dergelijke kaart is een gericht geschenk voor de politici van
Oisterwijk. Een uitzondering kan zijn als het college als geheel één kaart krijgt aangeboden om de relatie met de organisatie te onderhouden.
Hoofdstuk 6. Omgangsvormen
Oefening 11: Op een bewonersavond legt een directeur uit wat de plannen zijn ten
aanzien van het herinrichten van een winkelstraat. De veranderingen zijn fors, de
straat zal een half jaar open liggen, en de winkeliers zijn boos. ‘Wat u zegt klopt
helemaal niet. U zegt ons dat het een half jaar zal duren, maar wij hebben van
ambtenaren gehoord dat dit wel een zéér optimistische inschatting is en dat de straat
wel eens veel langer open kan blijven liggen. Dat kost ons onze klanten. We pikken
het niet!’. In de zaal zitten ook twee raadsleden.
Tijdens de eerstvolgende raadsvergadering neemt een van hen het woord en zegt
verontwaardigd dat de directeur gewoon zat te liegen tegen bewoners. Dat we dit
soort ambtenaren toch zeker niet willen in de gemeente en of de Wethouder P&O met
spoed een beoordelingsgesprekje met deze man wil voeren.
Is dit aanvaardbaar gedrag?
Antwoord: Nee, dit is geen aanvaardbaar gedrag. Het is niet de bedoeling dat in het
openbaar ambtenaren persoonlijk worden aangevallen. Dit gedrag is dus in
overtreding met artikel 6.3. In besloten vorm moet een raadslid dat sterke twijfels heeft
ten aanzien van individuele ambtenaren dit natuurlijk kunnen bespreken. Daartoe kan
hij zich het beste wenden tot de griffier of de wethouder.
In de raad kan hij overigens wel melden dat hij zorgen heeft geuit bij de wethouder
over het functioneren van sommige betrokken ambtenaren.
Hoofdstuk 7 Uitvoering gedragscode
Oefening 12: Een raadslid houdt een blog bij op internet. Hij is bekend in de stad en
zijn blog wordt veel gelezen. Het raadslid geeft zijn ongezouten mening over allerlei
onderwerpen. Ook over onderwerpen die in de raad besproken worden en ook over
collega raadsleden uit andere fracties. Op zijn laatste blog suggereert hij dat een
collega raadslid mogelijk via de raad geld regelt voor een stichting waar hij zelf bij
betrokken is. Is dit in overeenstemming met artikel 7.2?
Antwoord: Nee, dit is niet de manier waarop je een vermoeden van een schending
van de gedragscode meldt en daarmee niet in overeenstemming met artikel 7.2. Ten
eerste is deze manier van communiceren in tegenspraak met artikel 6.3 van de
code. Daarnaast geldt dat een raadslid dat vermoedt dat een ander raadslid zich
mogelijk schuldig maakt of zal maken aan overtreding van de code, hierover advies
vraagt aan bijvoorbeeld de griffier. Als ook de griffier meent dat er mogelijk sprake is
van een schending dan kan de burgemeester worden ingelicht. De Raad kan in een
gentle agreement afspraken maken over welke procedure er in dat geval gevolgd zal
moeten worden.
In het algemeen: partijbelang speelt geen rol bij het toezien op de naleving van de
code. Gebeurt dat toch, dan is de kans bijzonder groot dat er onrecht geschiedt.
Politici van alle partijen moeten dus de discipline opbrengen om bij vermoedens van
integriteitkwesties boven de partijen te gaan staan.
Verder moeten alle betrokkenen bij een vermoeden van een schending van de
gedragscode de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in
een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Dit om te voorkomen dat er door
media-aandacht al een veroordeling plaatsvindt van een politicus nog voor er
onderzoek naar het vermoeden van de schending heeft plaatsgevonden; een wellicht
onschuldige politicus heeft dan ten onrechte schade opgelopen en daarnaast kan de
geloofwaardigheid van de politiek hiermee onterecht worden aangetast.
Tot slot geldt dat als het rechtvaardig is om te sanctioneren, de maatregel passend
moet zijn en in verhouding met de schending.