Overgangsbepaling
De beschikbaarstelling van graven, het doen begraven of bijzetten en alle daarmede verband houdende verrichtingen op de oude en de nieuwe begraafplaats:
a. gedaan vóór de inwerkingtreding der verordening van 6 november 1953
in de toenmalige klassen 1 en 2,
gedaan na de inwerkingtreding der verordening van 6 november 1953 in de toenmalige afdelingen 1 en 2a,
worden geacht te zijn gedaan in een eigen graf dan wel een eigen kindergraf volgens deze verordening;
a. gedaan vóór de inwerkingtreding der verordening van 6 november 1953
in de toenmalige klasse 3 en lagere klassen,
gedaan na de inwerkingtreding der verordening van 6 november 1953
in de toenmalige afdelingen 2b, 2c en 2d,
worden geacht te zijn gedaan in een algemeen graf of een algemeen kindergraf volgens deze verordening.
De duur van het reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening verleende recht tot begraven op de begraafplaats blijft onverkort gelden.
De rechten van hen die de zorg voor het onderhoud van de graven en het daarop geplaatste, verkregen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, blijven onverkort gehandhaafd.