**1..** Indien belanghebbende een inkomen heeft tot 120% van het voor hem of haar van toepassing zijnde sociaal minimum bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, exclusief vakantietoeslag.
**2..** De aflossingscapaciteit van de belanghebbende met een inkomen boven 120% van het voor hem of haar geldende sociaal minimum bedraagt het in lid 1 bedoelde bedrag, vermeerderd met 50% van het inkomen boven de 120% van het van toepassing zijnde sociaal minimum, exclusief vakantietoeslag.
**3..** In afwijking van het eerste lid en tweede lid wordt de aflossingsverplichting voor fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en de opgelegde bestuurlijke boete bij een eerste overtreding bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
**4..** In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 13