Naar hoofdinhoud
1.. Aflossing van de volledige geldlening vindt in beginsel plaats binnen  10 jaar. 2.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. 3.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld. 4.. Het maandbedrag ter aflossing vindt plaats overeenkomstig de beleidsregel Terug- en invordering 2015. 5.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde lid, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel