In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, opgaand gewas, levend of afgestorven, met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter op 1.30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamdiameter van de dikste stam;
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg;
monumentale boom: een bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving;
vellen: het rooien; het kappen; het verplanten; het snoeien van meer dan 30% van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kan hebben;
knotten: beheermaatregel bestaande uit het periodiek geheel of gedeeltelijk tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout;
boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.
bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.
achtertuin: perceel grond gelegen aan de achterzijde van een particulier perceel met de bestemming ‘Tuin 1’, ‘Tuin 2’, of ‘Wonen’.
bevoegd gezag: als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Mor: (Ministeriële) Regeling omgevingsrecht.