Belanghebbende heeft de verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. Deze verplichting geldt zowel in de periode voor als in de periode tijdens bijstand of een uitkering. Dit betekent dat wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan afhankelijk wordt of blijft van bijstand of een uitkering, het college een verlaging kan opleggen.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:
het onverantwoord interen op het vermogen;
het niet afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zodat bij arbeidsongeschiktheid geen verzekering is, maar een beroep gedaan moet worden op bijstand (zie onderdeel a);
het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering;
een onverantwoorde besteding van vermogen (let op: geldt niet voor de IOAW ‘er, wel voor de IOAZ’ er, zie art. 20 lid 1 IOAZ jo art. 8 lid 2 IOAZ) / geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
bedrijfsbeëindiging wegens wanbeleid, waardoor een beroep op bijstand gedaan moet worden;
onverantwoorde bedrijfsinvesteringen, zoals een te dure bedrijfswagen of bedrijfsruimte, waardoor financiële problemen ontstaan.
In onderdeel b. is de hoogte van de verlaging de norm, maar de duur van de verlaging is afhankelijk van de periode dat belanghebbende onafhankelijk van bijstand of uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond.
HOOFDSTUK 5.
Artikel 12.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verordening Afstemming Handhaving Participatiewet 2017