Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Forfaitaire loonkostensubsidie

Onderdeel van Beleidsregels forfaitaire loonkostensubsidie Weststellingwerf 2017

1.. De in artikel 10 c en 10 d van de Participatiewet, alsmede de daaronder hangende lagere wetgeving vastgelegde regels met betrekking tot loonkostensubsidie, dienen onverkort te worden toegepast. Hierbij geldt dat de onder het eerste lid aanhef en onder b juncto het vijfde lid van artikel 10 d bedoelde mogelijkheid tot het toepassen van forfaitaire loonkostensubsidie in beginsel alleen wordt toegepast als de onder het eerste lid aanhef en onder a juncto het vierde lid van artikel 10 d bedoelde mogelijkheid naar verwachting onsuccesvol blijkt. 2.. De frequentie van loonwaardebepalingen bedraagt maximaal eens per zes maanden en minimaal eens per vijf jaar, afgestemd op de individuele omstandigheden van de werknemer en het perspectief op eventuele ontwikkelmogelijkheden. 3.. De hoogte van de forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt gedurende een periode van maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking 50 procent van het totale bedrag van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten. 4.. Indien het college forfaitaire loonkostensubsidie verleent als bedoeld in deze beleidsregels, dan verleent het college ten aanzien van dezelfde dienstbetrekking geen andere subsidie voor de loonkosten. 5.. Het college verstrekt geen loonkostensubsidie met betrekking tot perioden waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet. 6.. De inzet van een proefplaatsing, zoals bedoeld in artikel 9 van de Re-integratieverordening Participatiewet Weststellingwerf 2015, blijft onverminderd van toepassing voor de forfaitaire loonkostensubsidie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel