Naar hoofdinhoud
Indien uit het rapport van de toezichthouder blijkt dat een voorziening voor kinderopvang niet aan de kwaliteitseisen voldoet, zal de gemeente in principe handhavend optreden. Hiervoor heeft de gemeente verschillende handhavingsinstrumenten en sancties tot haar beschikking. De Wet kinderopvang kent enerzijds sancties die gericht zijn op het herstellen van de overtreding, anderzijds zijn het zogenaamde bestraffende sancties. De gemeente Bronckhorst gaat in haar handhavingsbeleid uit van het principe “de verantwoording daar leggen waar die hoort” en geeft bij handhaven de voorkeur aan het handhaven middels herstelsancties. (Voor APV- overtredingen is wel de strafbeschikking ingevoerd). Het doel van ons handhavingsbeleid is immers om de kwaliteit te waarborgen en niet zo zeer de betreffende houder te bestraffen. Bij het uitvoeren van de handhavingsacties die nodig zijn indien een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meerdere kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle daaruit voortvloeiende regelgeving, hanteert het college in beginsel de volgende stappen: aanwijzing last onder dwangsom/last onder bestuursdwang exploitatieverbod verwijdering uit het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (LRKP) Stap1: Aanwijzing (artikel 1.65, eerste lid en 2.23 eerste lid van de Wko) Het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Bronckhorst waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzal bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de “kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijk aanwijzing. In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn wordt bepald door de zwaarte van de overtreding, die afgeleid is van de prioritering, zoals die in het als bijlage opgenomen afwegingsoverzicht staat vermeld. Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd dan zal een volgende stap worden ingezet. Stap 2: Last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (artikel 125, lid 2 gemeentewet en artikel 5:32 Awb) De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de overtreding te beëindigen (op kosten van de overtreder) kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid ( art.5:32 Awb). Een last onder dwangsom wordt opgelegd met als doel herstel van de overtreding en/of voorkoming van herhaling van de overtreding. De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsomgeen resultaat heeft gehad, kan wordenoverwogen een nieuwe, hogere last onder dwngsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit. De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. Stap 3: Exploitatieverbod (artikel 1.66 en 2.24 Wko) Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau voort te zetten, dan wel verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten. Dit kan het college zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is. Stap 4: Verwijdering uit het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (art. 1.47a, tweede lid en 2.4a, tweede lid van de Wko en artikel 8, eerste lid, onder c en artikel 14, eerste lid, onder c van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen: indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert; indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften; indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de organisatie voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet daadwerkelijk is aangevangen. Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register, is er geen sprake meer van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk in de zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang of peuterspeelzaalwerk en vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten. sancties (Wet economische delicten/ Wetboek van Strafrecht) In geval van overtreding van de artikelen 1.66, 2.24 en 1.45 en 2.2 is sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze overtredingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. Overtreding van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht is een strafbaar feit; strafbaar gesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht: “Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Het boetebedrag voor deze overtreding, komt overeen met het in het Wetboek van Strafrecht genoemde bedrag voor overtredingen van de tweede categorie. Hierbij wordt aangetekend dat handhaving maatwerk is en dat er in elke situatie apart afgewogen zal moeten worden of en zo ja op welke wijze gehandhaafd zal worden. Proportionaliteit is daarbij van belang. Daardoor zijn niet automatisch alle genoemde stappen onverkort van toepassing op een geconstateerde overtreding. Als gebleken is dat een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle daaruit voorvloeiende regelgeving start het college in beginsel een herstellend traject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van het herstellende traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen. De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit die is toegekend aan de kwaliteitseis zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen. Bij het opleggen van een aanwijzing (vooraankondiging) gelden de volgende hersteltermijnen: prioriteit hoog: maximaal 2 weken prioriteit gemiddeld: maximaal 2 maanden prioriteit laag: maximaal 6 maanden Het opleggen van een last onder dwangsom is bij een kleine organisatie veel meer ingrijpend dan bij een grote organisatie. Daarom wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen kleine, middelgrote en grote ondernemingen en wordt bij de op te leggen last onder dwangsom (LOD) een verdeelsleutel toegepast. Voor de indeling van de ondernemingen (klein, middelgroot en groot) vinden wij aansluiting bij de definities in het economisch verkeer: - kleine organisatie: minder dan 50 personen werkzaam bij de organisatie - middelgrote organisatie: 50-250 personen werkzaam bij de organisatie - grote organisatie: meer dan 250 personen werkzaam bij de organisatie Bij het opleggen van een last onder dwangsom(LOD) zal de volgende vermenigvuldigingsfactor worden gehanteerd: kleine organisatie = LOD x0,5 middelgrote organisatie = LODx1 grote organisatie= LODx1,5 Voor de recidive bij niet voldoen aan de kwaliteitseisen geldt een opslag op de eerste berekende last onder dwangsom. Deze wordt als volgt berekend: Eerste berekende LOD + (€ 1.500,-- x a), waarbij a= het aantal malen dat herhaald niet is voldaan aan de kwaliteitseisen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel