Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2:1

Verbod op commerciële reclame

Onderdeel van Reclameverordening gemeente Emmen 2014

1. Het is een ieder verboden zonder vergunning van het college op, in of aan zaken welke aan de gemeente in eigendom toebehoren, zowel roerend als onroerend, commerciële reclame te bevestigen of te laten bevestigen in de vorm van een opschrift, aankondiging, afbeelding of verwijzing in welke vorm dan ook die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2. Het is een rechthebbende op een onroerende zaak verboden zonder vergunning van het college deze zaak of een daarop aanwezig object te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van commerciële reclame met behulp van een opschrift, aankondiging, afbeelding of verwijzing in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt op overeenkomstige wijze voor de rechthebbende op een voer- of vaartuig dan wel op een ander object met een opschrift, aankondiging, afbeelding of verwijzing in welke vorm dan ook, dat op, aan of boven een weg of in een openbaar water staan- of ligplaats heeft ingenomen, is geplaatst c.q. is aangebracht dan wel zich voortbeweegt net het kennelijke doel commerciële reclame te maken. 4. Het in het eerste, tweede en derde lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: a. opschriften en aankondigingen, betrekking hebbende op de dienst, het beroep of bedrijf welke of hetwelk in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of op de bewoning daarvan zomede op naamborden, mits: • de gezamenlijke oppervlakte van de opschriften en aankondigingen niet meer bedraagt dan 0,50m²; • geen van de opschriften en aankondigingen een grotere afmeting heeft dan 1 meter in een richting; • de aankondigingen en opschriften zijn opgebracht op of aan de onroerende zaak; b. opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; c. opschriften aankondigingen en afbeeldingen in een gebouw of een deel van een gebouw, hetwelk als winkel en/of als bioscoop, schouwburg, hotel, café-restaurant en dergelijke wordt gebruikt, mits zij betrekking hebben op het bedrijf, dat daarin wordt uitgeoefend; d. aankondigingen, waarbij een onroerende zaak geheel of gedeeltelijk te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijk betekenis hebben, mits: • zij worden aangebracht op, als het om grond gaat, of aan een onroerende zaak dat te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden; • elke aankondiging geen grotere oppervlakte heeft dan 0,50m² en geen grotere afmeting heeft in een richting dan 1 meter; e. opschriften en aankondigingen op of aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer en andere openbare diensten, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer c.q. die openbare dienst; f. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden of andere constructies op door het college aangewezen plaatsen waarvoor van gemeentewege door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst toestemming is verleend. Bij het aangaan van een dergelijke overeenkomst zal het college rekening houden met het door de raad d.d. 27-09-2012 vastgestelde beleidskader Strategisch Inkoop- en aanbestedingebeleid gemeente Emmen, waarin als wens wordt uitgesproken de lokale bedrijven en de lokale werkgelegenheid te stimuleren. 5. Indien ingevolge het bepaalde in lid 4 geen vergunning is vereist, dienen de daarin bedoelde opschriften, aankondigingen en afbeeldingen niettemin zodanig te worden uitgevoerd en aangebracht dat de onroerende zaak en/of de omgeving naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet wordt ontsierd en de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht. Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in lid 4 de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder en/of ontsiering voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende op dan wel de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. 6. Het in het tweede en derde lid gestelde verbod geldt onverminderd het bepaalde in de Woningwet, de Monumentenwet of de Wet Milieubeheer, voor zover van toepassing. 7. Naast de door het college aangewezen plaatsen zoals bedoeld in lid 4 sub f, wordt geen vergunning verleend zoals bedoeld in de leden 1,2 en 3, voor zover betrekking hebbend op het plaatsen van driehoeksborden, sandwichborden en daarmee naar aard en afmetingen gelijk te stellen borden.

Rechtspraak bij dit artikel