1. Personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en opsporingsambtenaren, die en voorzover zij zijn belast met de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, zijn bevoegd elke plaats te betreden voor zover de aard en strekking van deze verordening dat vereist, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2. De in het eerste lid bedoelde last is te allen tijde uitvoerbaar.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van die ruimten waarvan het betreden dan wel binnentreden, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, voor het opsporen van een strafbaar feit ingevolge het bepaalde in artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden niet is toegelaten.
4. Het binnentreden van woningen geschiedt slechts met toestemming van de bewoner dan wel met een schriftelijke machtiging, zulks in overeenstemming met hetgeen is bepaald in de Algemene wet op het binnentreden.