De vergunningenplafonds zijn vastgesteld met het oog op de bereikbaarheid voor het noodzakelijk autoverkeer. Op basis van artikel 4, lid 3 van de Parkeerverordening moet bij het vaststellen van het vergunningenplafond en het aantal te verlenen vergunningen in ieder geval rekening worden gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied. Dat betekent dat minimaal 10% van het aantal bruikbare parkeerplaatsen overdag op de openbare weg vrij, dat wil zegen door niet vergunninghouders, gebruikt moet kunnen worden.
De (deel)vergunninggebieden met een 0-plafond betreffen in het algemeen nieuwbouwprojecten met een garage. Vandaar dat daar geen parkeervergunningen worden uitgegeven aan bewoners/bedrijven. Dit vloeit voort uit de Parkeernota 2012-2020 van stadsdeel West, d.d. 5 juni 2012 zoals ook vermeld in de toelichting bij artikel 2.
Buiten de (deel)vergunninggebieden met een 0-plafond wordt bij de berekening van het plafond van een (deel)vergunninggebied uitgegaan van een piekbelasting in de avonduren.
De noodzakelijke leegstand dient om:
bezoekend verkeer ruimte bieden om te parkeren;
spitsdrukte opvangen voor zowel bezoekend verkeer als parkerende vergunninghouders;
ruimte te bieden aan een vlotte circulatie.
De berekening is derhalve als volgt:
Uitgaande van:
de piekbelasting tijdens de avonduren, ;
de wenselijkheid 10% van de parkeerruimte beschikbaar te houden voor bezoek en verkeerscirculatie;
de wenselijkheid 10% van de parkeerruimte beschikbaar te houden t.b.v. de circulatie;,
de aanname dat de minderheid van20% van de houders van bedrijfsvergunningen ook ‘s avonds hun voertuig in de buurt parkeert (van de verstrekte vergunningen is ca. 20% bedrijfsvergunning) en ;
de aanname dat de meeste10% van de bewoners ‘s avonds niet in de buurt parkeert. ;
kan men aan de hand van bestaande gegevens het totaal aantal uit te geven vergunningen in de vergunninggebieden berekenen, en dus ook de noodzakelijke leegstand.
Onder het vergunningenplafond wordt verstaan het aantal bewoners-, bedrijfs- en volkstuinvergunningen dat maximaal binnen een vergunninggebied wordt verleend.
Als het vergunningenplafond is bereikt, worden nieuwe aanvragen voor een parkeervergunning op een wachtlijst geplaatst, totdat er - door opzegging, intrekking of niet-verlenging van bestaande vergunningen - weer ruimte is gekomen. Dit is geregeld in de Parkeerverordening. De hier genoemde aantallen betreffen overigens de bewoners-, bedrijven- en, indien van toepassing, overloopvergunningen. De autodeelvergunning, mantelzorgvergunning, hulpverlenersvergunning, sportverenigingsvergunning, belanghebbendenvergunning en kraskaartvergunning worden onafhankelijk van een eventuele wachtlijst verleend.
De genoemde aantallen beschikbare parkeervergunningen uit artikel 4 van het Uitwerkingsbesluit worden verminderd met de aantallen milieuparkeervergunningen.
Westerpark kent vanaf 1 januari 2013 niet vijf maar vier vergunninggebieden. Dit als gevolg van het feit dat het vergunninggebied GWL-terrein en Bedrijventerrein Westerkwartier zijn samengevoegd en voortaan deelvergunninggebieden zijn.
Vanaf 1 september 2009:
1. Westerpark-1 in 4 deelvergunninggebieden Fannius Scholtenbuurt, Witteneiland, Westerstaatsman, Frederik Hendrik- en Hugo de Grootbuurt verdeeld;
Per 1 januari 2010:
2. Westerpark-2 in 2 deelvergunninggebieden Spaarndammer- en Zeeheldenbuurt zonder Houthaven verdeeld;
3. Westerpark-3 als nieuw vergunninggebied Houthaven benoemd;
4. Marcanti gevoegd bij Westerpark-1 en tevens aangewezen als deelvergunninggebied.
De vergunninggebieden -4 WP62 GWL-terrein en -5 WP63 bedrijventerrein Westerkwartier en ook de uitgesloten nieuwbouwprojecten te weten de deelvergunninggebieden met 0-plafond zijn op 1 januari 2010 niet gewijzigd.
Op het bedrijventerrein Westerpark (deelvergunningengebied Westerpark -- 4.2) is sprake van een overaanbod van parkeerruimte ten opzichte van de vraag naar parkeervergunningen. Om het karakter van het bedrijventerrein geen geweld aan te doen is gekozen voor een aparte status, waarbij het maximum aantal vergunningen is losgekoppeld van het aantal werknemers. In 1996 is namelijk door een aantal stadsdelen met de toenmalige wethouder voor Verkeer overeengekomen dat op een aantal bedrijventerreinen een ruimere norm mocht worden gehanteerd voor het verlenen van parkeervergunningen. Deze mogelijkheid is beschreven in beleidspunt 1.5 over Bedrijventerreinen in de Parkeernota van 2001. Als beslispunt is daarbij aangegeven dat voor het verlenen van parkeervergunningen aan bedrijven op bedrijventerreinen die als zodanig in het structuurplan zijn aangegeven, voortaan de normen van het locatiebeleid gelden. Dergelijke bedrijventerreinen dienen als apart vergunninggebied te worden aangewezen. Ook dient een vergunningenplafond te worden vastgesteld. Het Bedrijventerrein Westerpark is een apart vergunninggebied.
Vervolgens is voor deze C-locatie bij DB-besluit van 3 februari 1998 (98/238) vastgesteld dat maximaal 300 parkeervergunningen kunnen worden uitgegeven. Inmiddels is het Bedrijventerrein Westerpark opgenomen in het vigerende structuurplan op de plankaart en in het geldende toetsingskader als zijnde geen A- en B- locatie. Volgens de huidige Parkeernota gelden voor C-locaties geen restricties voor de vergunningverlening.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 4.
Vergunningenplafonds
Onderdeel van Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel West 2016