Naar hoofdinhoud
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in/of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; b. houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd: - degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register krachtens de Wegenverkeerswet 1994 was ingeschreven, of - degene die het motorvoertuig op grond van een contract van huurkoop of vruchtgebruik (lease) onder zich heeft; c. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan. Belastbaar feit

Rechtspraak bij dit artikel