**1..** Voor personen met een uitkering krachtens de Participatiewet geldt dat er geen sprake is van draagkracht uit inkomen of vermogen, tenzij uit (her-)onderzoeken is gebleken dat het vermogen wel meegenomen moet worden en/of het vermogen door sparen tijdens de bijstandsperiode is toegenomen tot boven de toepasselijke vermogensgrens (zie ook artikel 5 lid 3).
**2..** De ingangsdatum draagkrachtperiode wordt vastgesteld op de dag dat de kosten worden gemaakt.
**3..** De draagkrachtperiode geldt voor de duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag dat de kosten worden gemaakt.
Draagkracht uit inkomen
**4..** Voor de 18, 19 of 20 jarige wordt bij het bepalen van de draagkracht voor bijzondere bijstand, niet zijnde bijzondere bijstand voor levensonderhoud, uitgegaan van een inkomen als bedoeld in artikel 9 van deze beleidsregels.
**5..** Voor de 18, 19 of 20 jarige in een inrichting verblijvend wordt bij het bepalen van de draagkracht uitgegaan van een inkomen als bedoeld in artikel 10 van deze beleidsregels.
**6..** Voor personen met een IOAW- of IOAZ –uitkering geldt dat de draagkracht uit vermogen wel beoordeeld moet worden.
**7..** De draagkracht uit inkomen wordt als volgt berekend:
het inkomen wordt niet als draagkracht in aanmerking genomen voor zover dat minder bedraagt dan 120 % van de geldende bijstandsnorm;
van het inkomen, voor zover dat 120% van de geldende bijstandsnorm of méér, maar minder dan 150 % bedraagt, wordt 35 % als draagkracht in aanmerking genomen;
van het inkomen, voor zover dat 150% van de geldende bijstandsnorm of méér bedraagt, wordt 50 % als draagkracht in aanmerking genomen;
de vastgestelde draagkracht wordt op jaarbasis vastgesteld en altijd ineens verrekend.
**8..** In afwijking van het bovenstaande wordt 100 % van het inkomen, voor zover dat méér bedraagt dan de geldende bijstandsnorm, als draagkracht in aanmerking genomen voor zover het bijzondere bijstand betreft voor:
algemeen noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18 tot 21 jaar (al dan niet in de inrichting verblijvend);
algemeen noodzakelijke bestaanskosten van alleenstaande ouders die in een inrichting verblijven;
woonkosten;
de premie voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen;
uitvaartkosten;
de gehele of gedeeltelijke aflossing van schulden;
Overbrugging bij scherpe terugval in inkomen;
Stookkosten;
Kosten van bewassing en kledingslijtage.
**9..** Voor de berekening van de vakantietoeslag moet uit worden gegaan van het netto-inkomen zonder dat daarop verplichte betalingen aan derden zijn ingehouden. Het gaat hierbij vooral om beslagen en AWBZ-bijdragen van personen die in een inrichting verblijven.
**10..** Behoudens bij een stijging of achteruitgang van het netto-inkomen van 25 % of meer wordt de draagkracht in de eerder vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel niet tussentijds aangepast.
Bij de toekenning van een volgende periodieke bijzondere bijstand binnen een lopend draagkrachtjaar, vindt toekenning plaats tot en met de einddatum van het lopende draagkrachtjaar. Daarna dient een nieuwe aanvraag te worden gedaan en wordt de draagkracht opnieuw voor een jaar vastgesteld.
Draagkracht uit vermogen
**11..** Van het vermogen, voor zover dit méér bedraagt dan de geldende vermogensgrens bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet, wordt 100 % in aanmerking genomen.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid van de Participatiewet.
**12..** In afwijking van het bovenstaande wordt een vermogensgrens van € 2.500 gehanteerd bij de beoordeling van het recht op de regeling voor duurzame gebruiksgoederen.
**13..** Bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn worden op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet niet als vermogen aangemerkt.
Auto's, motoren en caravans worden, al vanwege hun aard, niet als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Indien een auto deel uitmaakt van het vermogen van de aanvrager dan wordt de dagwaarde van een auto als deze lager of gelijk is aan € 4.500 niet meegenomen bij het vaststellen van het vermogen. Ligt de dagwaarde hoger dan € 4.500, dan wordt het meerdere meegenomen in de vaststelling van het vermogen.
Tevens wordt de auto niet meegenomen in de vermogensvaststelling als deze ouder is dan 10 jaar, tenzij als gevolg van de leeftijd of exclusiviteit van deze auto de waarde boven € 4.500 uitkomt.
De tweede (derde, vierde en meer) auto wordt ongeacht de leeftijd en dagwaarde geheel meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.
In het geval lid d van toepassing is, wordt als eerste auto aangewezen de auto met de laagste waarde.
Hoofdstuk 1
Artikel 6.
Draagkracht
Onderdeel van 2e gewijzigde beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Geertruidenberg 2017