Naar hoofdinhoud
1.. Het is toegestaan de werkelijke invulling van de VVE-peuterplaatsen ten opzichte van de aantallen genoemd in de subsidieaanvraag, gedurende de subsidieperiode, aan te passen aan de vraag van de ouders. 2.. Voor wat betreft de vaststelling van de subsidie VVE-peuterplaatsen geldt dat het definitieve bedrag na afloop van de subsidieperiode, op basis van de verstrekte gegevens zoals genoemd in de verordening in artikel 11 lid 1, door het college wordt vastgesteld. 3.. Een aanvrager dient een verzoek tot vaststelling in door gebruik te maken van het aanvraagformulier ‘subsidie VVE-peuteropvang’ 4.. Indien het aantal bezette VVE-peuterplaatsen groter of gelijk is aan het aantal toegekende VVE-peuterplaatsen vindt de subsidievaststelling plaats op basis van de verdeling van VVE-peuterplaatsen die wel in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag (KOT) en VVE-peuterplaatsen die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag (niet-KOT). 5.. Indien uit de aanvraag tot vaststelling blijkt dat er sprake is geweest van een gemiddelde bezettingspercentage van 90% tot 100% vindt de vaststelling plaats conform het vorige lid en subsidieert de gemeente tevens het aantal niet bezette VVE-peuterplaatsen dat is toegekend. 6.. Indien blijkt dat de gemiddelde bezettingspercentage lager is dan 90% wordt de subsidie als volgt lager vastgesteld: het werkelijk aantal afgenomen uren per bezette VVE-peuterplaats vermenigvuldigd met het door het college vastgestelde maximum te subsidiëren uurtarief minus de door de aanvrager in rekening gebrachte ouderbijdragen voor de niet- KOT ouders en de in rekening gebrachte facturen voor de KOT-ouders gebaseerd op het fiscaal uurtarief. en daarbij opgeteld een marge indien de bezettingsgraad lager is dan 90%. Een voorbeeld van de berekening van vaststelling VVE-peuterplaatsen is opgenomen in bijlage 1.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel