**1..** Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
**2..** Het college kan een beslissing genomen op grond van deze verordening aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;
de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of
de jeugdige en/of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
**3..** Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
**4..** Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a tot en met e, heeft ingetrokken en het handelen of nalaten van de jeugdige en/of zijn ouder verwijtbaar is, kan het college van de jeugdige en/of zijn ouder(s) geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.
HOOFDSTUK 5:
Artikel 15