Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder geval verstaan:
het op onverantwoorde wijze interen op het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens waardoor eerder een beroep op bijstand wordt gedaan;
het niet dan wel te laat aanspraak doen op een voorliggende voorziening;
het onverantwoord besteden of beschikken over vermogen(sbestandsdelen);
het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering.
De gedragingen als bedoeld in het eerste lid leiden tot een maatregel van 20% van de bijstandsnorm voor de duur van het aantal maanden, dat geen of voor een lager bedrag beroep op bijstand nodig zou zijn geweest indien belanghebbende geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het eerste lid zou hebben betoond. De maximale termijn voor de duur van de maatregel is 36 maanden.
In afwijking van het tweede lid wordt, indien belanghebbende niet of onvoldoende verzekerd is tegen ziekte- of tandartskosten dan wel andere kosten, bij een aanvraag de bijzondere bijstand vastgesteld alsof belanghebbende voldoende verzekerd is.
HOOFDSTUK 4
Artikel 14
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2008