Het college legt een maatregel op als de belanghebbende naar het oordeel van het college een tekortschietend besef van verantwoordelijk betoont voor de voorziening in het bestaand, dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid of artikel 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2008