Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 4

Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouder

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand

De toeslag bedoeld in artikel 25, lid 1, van de wet bedraagt voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft: 20 procent van de gehuwdennorm. De toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 1, van de wet bedraagt voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf heeft: 10 procent van de gehuwdennorm. De toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 1, van de wet bedraagt voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf heeft: 5 procent van de gehuwdennorm. Voor de toepassing van dit artikel worden kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste 35 procent van de gehuwdennorm niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. In aanvulling op het lid 4 worden ook kinderen van 21 jaar en ouder niet in aanmerking genomen voorzover zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en hun verdere inkomsten dusdanig beperkt zijn dat zij in combinatie met de studiefinanciering het in het vierde lid genoemde inkomen niet overschrijden. Bij de vaststelling van het inkomen uit studiefinanciering wordt uitgegaan van het feitelijk verstrekte bedrag onder aftrek van de binnen de studiefinanciering opgenomen componenten voor studiekosten en onderwijsbijdrage.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel