**1..** Het college verstrekt een voorziening voor maatschappelijke participatie, indien de aanvrager op de peildatum:
inwoner is;
een of meer kinderen heeft dan wel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet;
over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens.
**2..** Het college stelt met inachtneming van de artikelen 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet de hoogte van het inkomen en vermogen van de aanvrager vast.
**3..** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt niet onder inkomen verstaan:
het bedrag dat tijdens een WSNP-traject gereserveerd wordt voor de aflossing van de schulden;
het bedrag dat tijdens een minnelijke schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd;
het bedrag van het inkomen waarop beslag is gelegd en het beslag op correcte wijze en op grond van de door belanghebbende volledig verstrekte gegevens is vastgesteld.
**4..** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf niet als vermogen in aanmerking wordt genomen.
**5..** Het college bepaalt met inachtneming van paragraaf 3.2 van de Participatiewet de van toepassing zijnde bijstandsnorm, met dien verstande dat het de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet buiten toepassing laat.