Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis. Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
De gemeente bepaalt zelf welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan een Wsw-geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan kosten in verband met de volgende activiteiten:
het beoordelen van aanvragen voor een PGB;
de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van subsidies en vergoedingen in het kader van het PGB;
het monitoren van het begeleid werken met een PGB;
het tussentijds bepalen van loonwaarde;
het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en werkgever.
De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening wordt gehouden de mate van arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde) uitvoeringskosten per Wsw-geïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat de gemeente in beginsel beschikbaar heeft voor een PGB begeleid werken. In de verordening is een procentuele verhouding vastgelegd (25%-75%), in plaats van een absoluut bedrag.
Als er aanleiding is die verhouding wijzigen, dan besluit het college daartoe uiterlijk op 31 december, voorafgaand aan het kalenderjaar met ingang waarvan de nieuwe verhouding geldt.
Hoofdstuk
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verordening persoonsgebonden budget (PGB) begeleid werken Wet sociale werkvoorziening (WSW)