Bij de beëindiging van de uitkering moet op goede gronden worden vastgesteld dat er geen recht meer op uitkering is en met ingang van welke datum. Het beëindigingsonderzoek wordt zo snel mogelijk - na constatering van het feit dat er geen recht meer is - uitgevoerd. Het is immers van belang dat de uitkeringsgerechtigde zo snel mogelijk wordt geïnformeerd over de beëindiging van de uitkering en de gevolgen daarvan.
Tijdens het beëindigingsonderzoek wordt in ieder geval vastgesteld of:
er sprake is van openstaande vorderingen en leningen;
de bijstand in de vorm van een lening werd verstrekt, waaronder begrepen bijstand onder verband van krediethypotheek;
het gereserveerde vakantiegeld kan worden uitbetaald met het oog op mogelijke vorderingen;
de uitkering over een periode moet worden herzien;
het vermogen bij aanvang of tijdens de uitkering is vastgesteld;
er periodiek bijzondere bijstand verstrekt wordt en of daar nog recht op blijft bestaan;
er een verhaalsdossier aanwezig is.
Het dossier wordt – indien nodig - overgedragen aan team terugvordering en verhaal.
Artikel 8.1
Het onderzoek
Onderdeel van Onderzoeksplan Participatiewet, Ioaw en Ioaz Hollands Kroon 2015