Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3

Artikel 30

Algemene bepalingen over stemming

Onderdeel van Reglement van orde gemeenteraad Heemskerk

1.. Wanneer niemand het woord vraagt of wanneer de beraadslaging is afgerond, en de voorzitter geen stemming verlangt, vraagt hij de raadsleden of deze stemming verlangen. Als geen stemming wordt gevraagd stelt de voorzitter vast dat het voorstel is aangenomen. 2.. Als door een of meer raadsleden stemming wordt gevraagd stelt de voorzitter stemming bij hand opsteken of hoofdelijke stemming voor. 3.. Ieder aanwezig raadslid, dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, is verplicht zijn stem uit te brengen. 4.. Bij stemming bij hand opsteken vraagt de voorzitter aan de leden van de raad om door middel van het opsteken van hun hand voor of tegen het voorstel te stemmen. 5.. Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daartoe overeenkomstig artikel 18 is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst. De leden brengen hun stem uit door "voor" of "tegen" te zeggen, zonder toevoeging. 6.. Als een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan hij deze vergissing herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd. Als hij zijn vergissing later opmerkt kan hij na bekendmaking van de uitslag van de stemming vragen om aantekening van zijn vergissing. In de uitslag van de stemming brengt dit geen verandering. 7.. In de vergadering aanwezige raadsleden kunnen in de besluitenlijst laten vastleggen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van de wet van stemming hebben moeten onthouden. 8.. De voorzitter deelt na afloop van de stemming de uitslag mede, onder vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel