Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Voorlopig aanslag

Onderdeel van Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Bronckhorst 2018

1.. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar legteen voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld,na verrekening van voorheffingen en al opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt. 2.. De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waaroverde belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan: voor de toeristenbelasting geschieden op grond van 80% van het gemiddelde dat voortvloeit uit degegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over elk van de twee voorafgaande jaren; voor de afvalstoffenheffing geschieden op grond van de werkelijke aanbiedingen in het voorafgaande belastingjaar; Bij de bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag op grond van het bepaalde in het vorigelid kan op benaderende wijze rekening worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belastingen alsmede met andere wijzigingen die voor deheffing van de gemeentelijke belastingen van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanslag vermoedelijk lager zal worden vastgesteld dan het op voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel