Het college kan besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
belanghebbende niet langer voldoet aan het genoemde in artikel 2 uit deze beleidsregels;
aanvrager niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 3 lid 3, artikel 6 en artikel 7 van de wet en artikel 4 van deze beleidsregels;
belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;
op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan de aanvrager is toegekend, als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;
belanghebbende in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende, niet (langer) passend is;
belanghebbende daartoe zelf verzoekt;
de minnelijke schuldenhulpverlening niet is geslaagd, omdat één of meerdere schuldeisers geen medewerking verlenen en de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen geen mogelijkheid is;
de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht;
een verzoek tot Wet schuldsanering Natuurlijke Personen is verstrekt.
Hoofdstuk 1
Artikel 6.
Beëindiginggronden
Onderdeel van Beleidsregels schuldhulpverlening Heemskerk 2017