Voor de 15 ‘regelingen’ als genoemd in artikel 3 lid 1 onder 1, 2, 11, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 24, 32, 36, 40 en 44 wordt geen bebouwde kom gedefinieerd, omdat vaststelling hiervan niet meer relevant is, dan wel omdat de bebouwde kom in voorkomende gevallen door de rechter casuïstisch zal worden vastgesteld.
Hoofdstuk 1
Artikel 6