**1..** 1. Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen: a. het aantal personen die verblijf hebben gehouden, bepaald op: 2,5; b. het aantal etmalen dat de door de onder a bedoelde personen, per persoon verblijf is gehouden, bepaald op 24.
**2..** Het aantal vaartuigen als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een viertal tellingen, waarbij in elk van de maanden april, juni, augustus en oktober één telling valt, op door het college van burgemeester en wethouders te bepalen data.
Artikel 6.
Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting