**1..** Als ‘ander document’ zoals genoemd in artikel 18b lid 2 onder c van de wet wordt in ieder geval gezien:
een diploma van een Nederlandstalige middelbare school;
een diploma van een MBO-, HBO- of universitaire Nederlandstalige opleiding;
een diploma van een opleiding Nederlands in het buitenland;
document waaruit blijkt dat belanghebbende is vrijgesteld van de inburgeringsplicht op grond van de Wet inburgering omdat belanghebbende in bezit is van een document zoals genoemd in artikel 2.3 tot en met 2.5 van het Besluit Inburgering;
**2..** Uit de volgende documenten kan tevens blijken dat belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst:
curriculum vitae waaruit blijkt dat belanghebbende minimaal twee jaar Nederlandstalig voortgezet onderwijs heeft gevolgd of minimaal één jaar heeft gewerkt in een Nederlandstalig bedrijf;
een recent arbeidscontract voor de duur van ten minste één jaar bij een Nederlandstalig bedrijf.
**3..** Het college kan ondanks het ontbreken van de documenten in leden 1 en 2 besluiten belanghebbende geen taaltoets te laten afleggen, indien belanghebbende aantoont dat elke vorm van verwijtbaarheid, in het geval bedoeld in artikel 18b lid 6 van de wet, ontbreekt.
**4..** Wanneer belanghebbende na 1 januari 1969 in de leerplichtige leeftijd (tussen vijf en zestien jaar) ten minste acht jaren in Nederland heeft gewoond en er geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan diens taalniveau, kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd en daarmee aan de taaleis voldoet.
**5..** Indien belanghebbende aantoont een taaltraject te volgen in het kader van de Wet inburgering, wordt aangenomen dat hij aan de inspanningsverplichting voldoet en wordt aldus geen taaltoets afgenomen.
Artikel 2.