Naar hoofdinhoud

Overgangs- en slotbepalingen 4.

Artikel 4.1

Artikel 4.1

Onderdeel van Beleidsregels 2017 artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo

In de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning zijn in artikel 1.2, de overgangsrechtelijke bepalingen geregeld. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de beleidsregels ‘artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo, artikel 2.7 en artikel 4 van bijlage II van het Bor”. In Artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo is het overgangsrecht voor een vrijstelling/ontheffing geregeld. Hierin staat vermeld: Artikel 1.2. Een vergunning of ontheffing als bedoeld in: 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening, of. artikel 40 van de Woningwet,die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht en onherroepelijk is, wordt voorzover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing op: de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend, de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt: een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit; een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een omgevingsvergunning,op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden. Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. In afwijking van het vierde lid vervalt een beperking of een voorschrift waarbij krachtens artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de betrokken vergunning slechts geldt voor een bepaalde termijn. Dit houdt in dat op vrijstellingen (zoals bouwvergunningsaanvragen) die in strijd zijn met het bestemmingsplan) die (schriftelijk) zijn aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Wabo de “beleidregels artikel 3.23 Wro” van toepassing blijven. Voor (omgevings)vergunningen die zijn aangevraagd na de inwerkingtreding van de Wabo gelden de ‘beleidsregels “artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo”.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel