Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 15:1:22.2

Artikel 15:1:22.2

Onderdeel van CAR/UWO 2006

Ten aanzien van de verblijfskosten bij overwerk is van toepassing het Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 1973 (Stbl. 386), nadien meermalen gewijzigd, houdende regeling van een vergoeding voor kosten van een maaltijd aan ambtenaren die overwerk verrichten. Vergoeden van schade Artikel 15:1:23 Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen. Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, tenzij: die schade bestaat uit de normale slijtage of er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer. Gebruik motorrijtuig Artikel 15:1:24 Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden. Artikel 15:1:25 Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend. Volgen van een opleiding Artikel 15:1:26 De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente. Artikel 15:1:27 Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd. Bijzondere prestaties Artikel 15:1:28 Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van: extra verlof; gratificatie. Artikel 15:1:29 Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht. Borstvoeding Artikel 15:1:30 Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg Artikel 15:1:31 De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie. Klokkenluiders Artikel 15:2 Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden. Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden. 16 DISCIPLINAIRE STRAFFEN Plichtverzuim Artikel 16:1:1 De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakom of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Disciplinaire straffen Artikel 16:1:2 Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast: schriftelijke berisping; arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen; vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft; geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar; niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand; stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren; vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren; plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging; schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging; De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. Verantwoording Artikel 16:1:3 De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken. Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt. Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben. Artikel 16:1:4 De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafoplegging. Artikel 16:1:5 De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen. Bovenkant formulier 17 OPLEIDING EN ONTWIKKELING Persoonlijk ontwikkelingsplan Artikel 17:1:1 Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten. Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld. Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan. De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed. In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren. In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen: - de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten; - de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden; - de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang; - de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt; - de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar; - de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie; - eventuele andere ondenverpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken. Loopbaanadvies Artikel 17:2 De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige. Artikel 17:3 In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid Betreft Uitwerking Cao 2009-2011 Flexibilisering en levensfase Datum 01 juli 2010 09/09 aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket. Het college past voor de ambtenaar van 62 tot 65 jaar, binnen de mogelijkheden van de fiscale wetgeving, een ‘premiekorting in dienst hebben oudere werknemers’ toe. Het bedrag van de korting wordt gebruikt voor verhoging van de inzetbaarheid van de ambtenaar. Het college en de ambtenaar bepalen in overleg de besteding van het bedrag. 18 VERPLAATSINGSKOSTEN Begripsomschrijvingen Artikel 18:1:1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR; woongebied: een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente; standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn verkzaamheden verricht; gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkene en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner, voor zover zij samenwonen; eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bestuursorgaan; berekeningsbasis: het twaafvoud van de bezoldiging - in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantieuitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met: genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a; genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: genoten herplaatsingstoelage hoofdstuk 12 van het pensioenreglement; berekenings tijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten; verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan; verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, danwel van een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden; dienstwoning: de door het bestuursorgaan aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning; Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen. Tegemoetkoming verhuiskosten Artikel 18:1:2 De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend. De betrokkene die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd. De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is. Artikel 18:1:3 De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend. Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend. Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden. Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied. Artikel 18:1:4 Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing. Artikel 18:1:5 De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit: een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken; een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 279,08 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste vier maanden wordt verleend; een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.581,13. Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt. Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesreld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis. Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis. Tegemoetkoming woon- werkverkeer Artikel 18:1:6 De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is. Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid. Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen. Hoogte tegemoetkoming Artikel 18:1:7 De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse. De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein gemaximeerd op het bedrag van € 3.451,= per jaar. De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 93,28 op jaarbasis. De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,15 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis. De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid. Artikel 18:1:7a (vervallen) Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer Artikel 18:1:8 Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag. Artikel 18:1:8:1 1 De tegemoetkoming in de reiskosten bedoeld in artikel 18:1:8 wordt vastgesteld op € 0,14 per afgelegde kilometer. Hierop wordt in mindering gebracht een bedrag dat de ambtenaar te allen tijde voor eigen rekening moet nemen. Deze eigen bijdrage per maand bedraagt € 49,93 en wordt nader vastgesteld op een bedrag naar rato van het aantal werkdagen per week volgens het met betrokkene vastgestelde werkrooster. De tegemoetkoming in de reiskosten bedoeld in artikel 18:1:8 verminderd met de eigen bijdrage bedraagt maximaal € 161,77 per maand. Een tegemoetkoming van € 2,27 per maand of minder wordt niet uitbetaald. Wanneer de reisafstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling minder dan 10 kilometer bedraagt wordt geen tegemoetkoming in de reiskosten verstrekt. De reisafstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling wordt vastgesteld volgens één vast routebepalingssysteem, te weten: www.routenet.nl. 2Dit artikel is ook van toepassing op werknemers die zelf het carpoolen organiseren. Als de chauffeur en de meerijder(s) uit privé-overwegingen hebben besloten om te gaan carpoolen wordt de hoogte van de tegemoetkoming in de reiskosten voor zowel de chauffeur als de meerijder(s) overeenkomstig het eerste lid vastgesteld. Saldering vergoeding voor woon-werkverkeer met vergoeding voor overige zakelijke kilometers Artikel 18:1:8:2 Voor zover bepaalde reiskostenvergoedingen in het kalenderjaar of in een loontijdvak fiscaal bovenmatig zijn, strekken ze mede tot vergoeding van reiskosten die de werkgever in zoverre nog wel aanvullend belastingvrij kan vergoeden. Deze bepaling wordt toegepast met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2004 voor de op 1 januari 2004 bestaande vergoedingsregeling(en). Pensionkosten Artikel 18:1:9 De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten. De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse. Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten Artikel 18:1:10 De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen. Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend. Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%. Procedure tegemoetkoming verhuiskosten Artikel 18:1:11 De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn ingediend. Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doe t de betrokkene bi j het bestuursorgaan opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b. Voorschot Artikel 18:1:12 Het bestuursorgaan kan ter zake van dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen. Slotbepaling Artikel 18:1:13 Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid voorzien. Overgangsrecht Artikel 18:1:14 De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer. Bovenkant formulier 19 RECHTSPOSITIEREGELING VRIJWILLIGERS BIJ DE GEMEENTELIJKE BRANDWEER § 1 Algemene bepalingen Werkingssfeer Artikel 19:1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Inhouding op de vergoeding krachtens bijlage VI Artikel 19:1:9:1 Het college kan op verzoek van de vrijwilliger zijn vergoeding als bedoeld in artikel 19:1:9 verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Bij regeling van het college kan voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Begripsbepaling Artikel 19:2 Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is. Overleg met vakorganisaties Artikel 19:3 Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden. Informatievoorziening aan de vrijwilliger Artikel 19:4 De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te leven. De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd. Informatievoorziening aan derden Artikel 19:5 Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld aan: -    de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid; -    ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. § 2 Aanstelling en bevordering Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst Artikel 19:6 Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode. Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van proef. Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar. Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet geslaagd is. Voorwaarden voor aanstelling Artikel 19:7 Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit brandweerpersoneel daarvoor stelt. Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden: hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen; hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen; hij is ten minste 18 jaar. Bericht van aanstelling Artikel 19:8 De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld: de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger: de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven; de ingangsdatum van de aanstelling; de rang waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die aan hem wordt toegekend. Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger. Bevordering Artikel 19:9 Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere rang bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit brandweerpersoneel daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten minste de nieuwe rang en de daaraan verbonden vergoeding vermeld. Medische keuring Artikel 19:10 De vrijwilliger wordt overeenkomstig het hieromtrent bepaalde in het Besluit brandweerpersoneel periodiek gekeurd, teneinde te beoordelen of hij nog in staat is zijn brandweertaken uit te voeren. § 3 Relatie hoofdwerkgever Informatie over hoofdwerkgever Artikel 19:11 De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. Informatie aan hoofdwerkgever Artikel 19:12 De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na indiensttreding dat hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden; de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet worden; de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten tijdens werktijd; ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding. § 4 Vergoedingen Vergoeding Artikel 19:13 De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en de bijlage bij dit artikel. Jaarvergoeding Artikel 19:14 De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding, waarvan maandelijks een twaalfde deel wordt uitgekeerd. De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage bij artikel 19:13 is vermeld achter de rang waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de eerste kolom. Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden Artikel 19:15 De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met toestemming van het college, of in opdracht van het college overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage bij artikel 19:13 is vermeld achter de rang waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding. Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening Artikel 19:16 De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een vergoeding. De vergoeding wordt vaststgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage bij artikel 19:13 staat vermeld achter de rang van de vrijwilliger, in de derde kolom. Vergoeding voor langdurige aanwezigheid Artikel 19:17 De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage bij artikel 19:13 vermeld staat achter de rang waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vierde kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft. Consignatievergoeding Artikel 19:18 De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding bedraagt: Per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom twee van de bijlage bij artikel op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag; per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom twee van de bijlage bij artikel voor alle overige dagen. Kazerneringsdienst Artikel 19:19 Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van kazerneringsdiensten. Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap Artikel 19:20 De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18. De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke past het college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. Opleidingskosten Artikel 19:21 Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt. Gratificatie Artikel 19:22 Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen van een gratificatie. Fiscaal aantrekkelijke regelingen Artikel 19:23 De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Salarismutaties Artikel 19:24 De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten. § 5 Verzekeringen en schadevergoeding Ongevallenverzekering Artikel 19:25 Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger. De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden. De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de verzekering. Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger gebracht. De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de polisvoorwaarden. Vergoeding geneeskundige kosten Artikel 19:26 Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd. Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden kan het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten. Verzekering zelfstandig ondernemers Artikel 19:27 Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval. Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering. Schade aan kleding en uitrusting Artikel 19:28 Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen. § 6 Zwangerschap Zwangerschap Artikel 19:29 De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij het college. Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten. Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts. § 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger Beschikbaarheid van de vrijwilliger Artikel 19:30 Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de brandweerdienst. De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd. De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het college melding van. Verplichtingen Artikel 19:31 De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger. Eed of belofte Artikel 19:32 De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven. Verboden Artikel 19:33 Het is de vrijwilliger verboden: a de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college; b vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het college; c steekpenningen aan te nemen. Gebruik van motorrijtuig Artikel 19:34 Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden. Kledingvoorschriften Artikel 19:35 De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door of namens het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen. De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van gemeentewege kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren. De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven. Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en uitrustingsstukken. Verboden ten aanzien van de kleding Artikel 19:36 Het is de vrijwilliger verboden: de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend; de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te geven; dienstkleding te dragen voorzien van: - andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang die de vrijwilliger bekleedt; - insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de staat of door het college toestemming is verleend. Vergoeding van schade Artikel 19:37 De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te vergoeden. De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn vergoeding. § 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de dienst Plichtsverzuim Artikel 19:38 De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt kan disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Disciplinaire straffen Artikel 19:39 1.De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: schriftelijke berisping; inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel 19:14; schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de vergoeding; ongevraagd ontslag. Schorsing in het belang van de dienst Artikel 19:40 De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden: wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt; wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd; wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens misdrijf; in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt. § 9 Ontslag Ontslag op eigen verzoek Artikel 19:41 Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom verzoekt. Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het verzoek. Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen. Ongevraagd ontslag Artikel 19:42 Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van: het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of wegens verandering van de brandweerorganisatie; de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn zijn taak bij de brandweer te vervullen; onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken; ondercuratelestelling; toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; een in het ontslagbesluit genoemde andere grond; de omstandigheid dat uit de medische keuring is gebleken dat de vrijwilliger medisch, fysiek, of psychisch niet meer geschikt is, of binnen een redelijke termijn te maken is, voor de brandweerdienst. Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel. Einde tijdelijk dienstverband Artikel 19:43 De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste dienst. De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een van de gronden genoemd in artikel 19: 42 Bovenkant formulier 19a RECHTSPOSITIE AMBULANCEPERSONEEL Begripsbepalingen Artikel 19a:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld, respectievelijk hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan, om in openbare dienst werkzaam te zijn als ambulancechauffeur, ambulanceverpleegkundige, CPA-verpleegkundig centralist, of CPA-niet verpleegkundig centralist; schaal: de voor een functie, ter bepaling van het salaris, opklimmende reeks van bedragen opgenomen in bijlage II en bijlage IIa; eindschaal: de schaal waarop een functie gewaardeerd is; inconveniëntentoelage: een toelage voor het verrichten van zware, onaangename of gevaarlijke arbeid, niet zijnde een toelage voor onregelmatige dienst, overwerk, piket of bereikbaarheidsdienst; overwerk: de uren die de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 36 uur, berekend over de periode van het geldende dienstrooster, te boven gaat; feestdag: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, de verjaardag van de koningin, de beide kerstdagen en andere kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feestdagen die door het college zijn aangewezen als dagen waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. Inschaling Artikel 19a:2 De functie van ambulancechauffeur is gewaardeerd op schaal 7. De functie van ambulanceverpleegkundige is gewaardeerd op schaal 9. De functie van CPA-verpleegkundig centralist is gewaardeerd op schaal 9. De functie van CPA- niet verpleegkundig centralist is gewaardeerd op schaal 7. Artikel 19a:3 De schalen genoemd in artikel 19a:2 zijn eindschalen. Artikel 19a:4 Inschaling in de eindschaal vindt plaats indien de medewerker voldoende functioneert en voldoet aan de door de werkgever gestelde opleidings- en functie-eisen. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan inschaling in een aanloopschaal plaatsvinden. Artikel 19a:5 Lokaal beleid ten aanzien van uitloopschalen is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in dit hoofdstuk. De ambtenaar heeft geen aanspraak op een arbeidsmarkttoelage, een inconveniëntentoelage of andere toelagen in verband met de aard van de functie. Uitvoering en vergoeding GHOR-taken Artikel 19a:6 Werkzaamheden in het kader van de uitvoering van GHOR-taken worden geacht onderdeel uit te maken van de functie van de ambtenaar. Het college stelt een vergoedingsregeling vast voor de werkzaamheden bedoeld in het eerste lid. Aanwezigheidsvergoeding Artikel 19a:7 De ambtenaar ontvangt een vergoeding in tijd voor uren die doorgebracht worden in een aanwezigheidsdienst. De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op 100% van de tijd doorgebracht in een aanwezigheidsdienst tussen 08.00 en 23.00 uur en 30% van de tijd doorgebracht in een aanwezigheidsdienst tussen 23.00 en 08.00 uur. Indien de ambtenaar gedurende de aanwezigheidsdienst arbeid verricht, vervalt over die tijd de aanspraak op de aanwezigheidsvergoeding. De ambtenaar heeft over de aanwezigheidsvergoeding recht op een onregelmatigheidstoeslag overeenkomstig artikel 19a:8 voor zover er daadwerkelijk sprake is van gerealiseerde onregelmatige uren. Onregelmatigheidstoeslag Artikel 19a:8 De ambtenaar heeft recht op een toeslag voor arbeid verricht tijdens onregelmatige uren. Deze toeslag wordt vastgesteld conform de bedragen die zijn opgenomen in bijlage VIIa. De vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 wordt geacht te zijn inbegrepen in de onregelmatigheidstoeslag. Over uren waarvoor een onregelmatigheidstoeslag wordt verstrekt bestaat geen aanspraak op een vergoeding voor overwerk. Overwerktoeslag Artikel 19a:9 De ambtenaar heeft recht op een overwerkvergoeding indien hem door of namens het college opgedragen is overwerk te verrichten. De vergoeding bedoeld in het eerste lid bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit een toeslag in geld te berekenen overeenkomstig de percentages genoemd in het zesde lid. Het verlof bedoeld in het tweede lid wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten kan het verlof verleend worden op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uren bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming het in het derde lid bepaalde, dan bestaat de in het eerste lid bedoelde vergoeding uitsluitend uit een vergoeding in geld, welke wordt berekend overeenkomstig de percentages in het zesde lid vermeerderd met 100. De overwerktoeslag bedraagt: - 25% voor overwerk verricht tussen 06.00 en 22.00 uur op werkdagen; - 50% voor overwerk verricht tussen 22.00 en 06.00 uur op werkdagen; - 75% voor overwerk verricht op zaterdag tussen 00.00 en 18.00 uur; - 100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00 uur en op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur. Bij berekening van de overwerktoeslag geldt dat binnen een uur dat er overwerk wordt verricht: - bij 0 tot 15 minuten geen sprake is van overwerk; - bij 15 tot 45 minuten sprake is van een halfuur overwerk; - bij 45 tot 60 minuten sprake is van een uur overwerk. Voor de ambtenaar die volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag of een zaterdag, een andere vrije dag is aangewezen, wordt overwerk op die vrije dag beschouwd als overwerk verricht op een zondag, respectievelijk een feestdag of een zaterdag. Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit één van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Bereikbaarheidsdienst Artikel 19a:10 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor verrichtte bereikbaarheidsheidsdiensten. Deze vergoeding wordt vastgesteld conform de bedragen die zijn opgenomen in bijlage VIIb. Indien de ambtenaar gedurende de bereikbaarheidsdienst arbeid verricht, vervalt over die tijd de aanspraak op de vergoeding. Overige vergoedingen Artikel 19a:11 De ambtenaar heeft uit hoofde van de inroostering van zijn werktijden geen aanspraak op andere vergoedingen dan genoemd in dit hoofdstuk. Berekening bezoldiging bij ziekte en zwangerschaps- en bevallingsverlof Artikel 19a:12 Het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, wordt vastgesteld door het salaris te vermeerderen met het bedrag dat de ambtenaar gemiddeld over een periode van 13 weken voorafgaande aan de eerste ziektedag ontvangen heeft aan financiële vergoeding voor overuren, overwerktoeslag, bereikbaarheidsvergoeding en onregelmatigheidstoeslag. Het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 6:7, eerste lid, wordt vastgesteld door het salaris te vermeerderen met het bedrag dat de vrouwelijke ambtenaar gemiddeld over een periode van 13 weken voorafgaande aan de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof ontvangen heeft aan financiële vergoeding voor overuren, overwerktoeslag, bereikbaarheidsvergoeding en onregelmatigheidstoeslag. Voor berekening van het bedrag bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen maximaal 15 overuren per week meegeteld worden. Indien het bepaalde in het eerste lid of tweede lid leidt tot een onredelijke uitkomst kan het college besluiten de referteperiode vast te stellen op 52 weken te rekenen vanaf de eerste ziektedag. Werktijdenregeling Artikel 19a:13 Het college stelt voor de ambtenaren bedoeld in dit hoofdstuk een werktijdenregeling vast met nachtneming van het bepaalde in de artikelen 19a:14 tot en met 19a:22. Artikel 19a:14 Indien voorde ambtenaar wisselende werktijden gelden wordt daarvan een rooster opgesteld. De werktijden worden tenminste een maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. Zondagsarbeid Artikel 19a:15 De ambtenaar is verplicht arbeid op zondag te verrichten indien het college dit in het belang van de dienst noodzakelijk acht. De ambtenaar heeft aanspraak op tenminste 13 vrije zondagen per 52 weken. Arbeidstijden Artikel 19a:16 De arbeidsduur per dag bedraagt ten hoogste 10 uren, over een periode van vier weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week, en over een periode van 13 weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week. Nachtdiensten Artikel 19a:17 De arbeidsduur bedraagt per nachtdienst ten hoogste 9 uren; in een periode van 13 achtereenvolgende weken bedraagt de arbeidsduur ten hoogste gemiddeld 40 uur per week. De minimale rusttijd na een nachtdienst bedraagt 14 uur; deze rusttijd mag eenmaal per periode van 7 x 24 uur, ingekort worden tot 8 uur. In een periode van 13 achtereenvolgende weken worden aan de ambtenaar ten hoogste 35 nachtdiensten opgedragen. Indien de nachtdiensten vóór of op 02.00 uur eindigen mag, in afwijking het derde lid, het aantal nachtdiensten in een periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 52 bedragen. Overwerk Artikel 19a:18 Indien er sprake is van overwerk bedraagt de arbeidsduur per dienst ten hoogste 12 uren, per week ten hoogste 60 uren, en per 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week. Indien er sprake is van nachtdiensten waarbij overwerk wordt verricht bedraagt de arbeidsduur per nachtdienst ten hoogste 10 uur, en ten hoogste gemiddeld 40 uur per week over een periode van 13 achtereenvolgende weken. Pauze Artikel 19a:19 De ambtenaar heeft, indien hij langer dan 5,5 uur aaneengesloten werkt, een pauze van tenminste een halfuur, welke opgesplitst kan worden in 2 keer 15 minuten. Consignatiediensten Artikel 19a:20 De ambtenaar is verplicht consignatiediensten te verrichten, indien het college dit noodzakelijk acht in het belang van de dienst. De ambtenaar kan verplicht worden de pauze, waarin hij geconsigneerd is, op de arbeidsplaats door te brengen. Aanwezigheidsdiensten Artikel 19a:21 De ambtenaar is verplicht aanwezigheidsdiensten te verrichten indien het college dit in het belang van de dienst noodzakelijk acht. De ambtenaar verricht ten hoogste 3 aanwezigheidsdiensten van maximaal 24 uur in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, en ten hoogste 26 aanwezigheidsdiensten in een periode van 13 achtereenvolgende weken. De ambtenaar heeft voor en na een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van tenminste 11 uren, welke rusttijd in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur mag worden ingekort tot eenmaal ten minste 10 uren en eenmaal ten minste 8 uren. De ambtenaar heeft tijdens een aanwezigheidsdienst na een arbeidstijd van ten hoogste 10 uren, een onafgebroken rusttijd van tenminste 6 uren. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur. Ingeval van overwerk bedraagt de arbeidstijd bedoeld in het derde lid ten hoogste 12 uren. In afwijking van het tweede en vijfde lid verricht de ambtenaar maximaal 5 aanwezigheidsdiensten van ten hoogste 12 uren in een periode van 7 maal 24 uren, en 26 aanwezigheidsdiensten in een periode van 13 weken, voor zover de ambtenaar in deze periode ten hoogste 5 uren arbeid verricht. Bereikbaarheidsdiensten Artikel 19a:22 De ambtenaar is verplicht bereikbaarheidsdiensten te verrichten indien het college dit in het belang van de dienst noodzakelijk acht. De ambtenaar wordt in elke tijdruimte van 7 maal 24 uren ten hoogste 3 maal een bereikbaarheidsdienst opgelegd en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 37 maal. Overgangsrecht Inschaling zittende medewerkers Artikel 19a:23 De medewerker die op 1 februari 2002 werkzaam is in één van de functies genoemd in artikel 19a:2 wordt per die datum ingeschaald in de schaal behorende bij zijn functie, voor zover hij voldoende functioneert en voldoet aan de door de werkgever gestelde opleidings- en functie-eisen. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de medewerker die op 31 januari 2002 ingeschaald is in een aanloopschaal. De medewerker in een aanloopschaal zal per 1 februari 2002 ingeschaald worden in een door de werkgever nieuw vast te stellen aanloopschaal. Artikel 19a:24 Inschaling vindt plaats in de periodiek van de eindschaal onderscheidenlijk de aanloopschaal, waarvan het bedrag overeenkomt met het bruto salaris dat de medewerker op 31 januari 2002 ontving, vermeerderd met de toegekende bruto arbeidsmarkttoelage, inconveniëntentoelage of andere toelage op grond van de aard van de functie Indien de uitkomst van de nieuwe salarisberekening op grond van het eerste lid niet overeenkomt met een periodiek in de nieuwe schaal wordt de medewerker ingeschaald op het naast hogere bedrag. Indien de uitkomst van de nieuwe salarisberekening op grond van het eerste lid het maximumsalaris behorende bij de eindschaal van de functie tot maximaal € 10,- overschrijdt dan vindt inschaling in het maximum van de eindschaal plaats In de situatie bedoeld in het derde lid ontvangt de ambtenaar zijn bezoldiging zoals vastgesteld op 31 januari 2002 overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, tot de datum dat het maximumsalaris behorende bij de eindschaal van de functie, door salarismutaties voor de sector gemeenten zoals in het LOGA worden overeengekomen, de bezoldiging vastgesteld op 31 januari 2002 te boven gaat. Inkomensgarantie Artikel 19a:25 De ambtenaar heeft recht op een inkomensgarantie indien de som van: - het schaalbedrag op 31 januari 2002, en - de arbeidsmarkttoelage en/of de inconveniëntentoelage en/of andere toelagen die zijn toegekend op grond van de aard van de functie waarop de ambtenaar op 31 januari 2002 aanspraak had, en - de periodieke verhoging(en), op grond van de lokale bezoldigingsverordening, binnen de schaal die voor de ambtenaar gold op 31 januari 2002, in de periode van 1 februari 2002 tot 1 februari 2005 op enig moment het maximum van de eindschaal behorende bij de functie van de ambtenaar met meer dan € 10,- overschrijdt. Het verschil wordt toegekend in de vorm van een persoonlijke toelage, welke toelage wordt aangepast telkens wanneer de uitkomst van de berekening bedoeld in de vorige volzin wijzigt. De persoonlijke toelage bedoeld in het eerste lid wordt op 1 februari 2005 gefixeerd op het bedrag waarop de ambtenaar op dat moment recht heeft. De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op deze persoonlijke toelage. De persoonlijke toelage komt te vervallen op het moment dat de ambtenaar van functie verandert. Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar wordt verminderd, wordt de persoonlijke toelage van de ambtenaar naar evenredigheid verminderd. Bij (her)berekening van de persoonlijke toelage bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de salaristabellen die zijn aangepast aan de in het LOGA overeengekomen salarismutaties voor de sector gemeenten. Artikel 19a:26 Lokaal toegekende arbeidsmarkttoelagen, inconveniëntentoelagen of andere toelagen die zijn toegekend op grond van de aard van de functie vervallen met ingang van 1 februari 2002. Onder andere toelagen die zijn toegekend op grond van de aard van de functie als bedoeld in het eerste lid worden niet begrepen de persoonlijke toelagen of taaktoelagen zoals die er zijn voor specifieke aanvullende functies of taken. Garantietoelage voor overwerk en bereikbaarheidsdiensten Artikel 19a:27 De ambtenaar heeft recht op een garantietoelage indien de vergoedingsregeling voor overwerk en bereikbaarheidsdiensten op grond van dit hoofdstuk minder aanspraken biedt dan de regeling zoals die op 31 januari 2002 voor de ambtenaar gold. Teneinde de omvang van de garantietoelage te bepalen wordt een berekening gemaakt van de bruto-vergoeding voor overwerk en bereikbaarheidsdienst die de ambtenaar gemiddeld per maand ontvangen heeft in de periode van 1 februari 2002 tot aan de datum van herberekening van zijn salaris wegens inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Tevens wordt een berekening gemaakt van de bruto-vergoeding voor overwerk en bereikbaarheidsdienst die de ambtenaar in deze periode gemiddeld per maand ontvangen zou hebben op grond van dit hoofdstuk. Het verschil tussen de bedragen vormt de basis voor de berekening van de garantietoelage, onverminderd het bepaalde m het eerste lid. De garantietoelage bedraagt een percentage van het verschil zoals beschreven in het tweede lid. Dit percentage bedraagt 100% gedurende de periode 1 februari 2002 tot 1 maart 2003; 75% gedurende de periode van 1 maart tot 1 september 2003; 50% gedurende de periode van 1 september 2003 tot 1 maart 2004; 25% gedurende de periode van 1 maart 2004 tot 1 september 2004. De garantietoelage vervalt met ingang van de dag dat de ambtenaar van functie wijzigt. Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar vermindert, wordt de garantietoelage naar evenredigheid verminderd. Afbouwtoelage en garantietoelage voor onregelmatige diensten Artikel 19a:28 De ambtenaar heeft recht op een afbouwtoelage of een garantietoelage indien de vergoedingregeling voor onregelmatige dienst op grond van dit hoofdstuk minder aanspraken biedt dan de regeling zoals die op 31 januari 2002 voor de ambtenaar gold. Indien de ambtenaar op basis van de vergoedingsregeling voor onregelmatige dienst zoals die voor hem gold op 31 januari 2002 recht had op een vanabele toelage dan wordt de toelage onregelmatige dienst meegenomen in de berekening bedoeld in artikel 19a:27. Indien de ambtenaar op basis van de vergoedingsregeling voor onregelmatige dienst zoals die voor hem gold op 31 januari 2002 recht had op vaste toelage dan wordt het niveau van deze toelage gegarandeerd op een wijze zoals omschreven in het vierde lid van dit artikel. Teneinde de omvang van de toelage te bepalen wordt een berekening gemaakt van het bruto-bedrag dat de ambtenaar gemiddeld per maand ontvangen heeft als toelage voor onregelmatige dienst, inclusief de vakantietoelage over dit bedrag, in de periode van 1 februari 2002 tot aan de datum van herberekening van zijn salaris wegens inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Tevens wordt een berekening gemaakt van het brutobedrag dat de ambtenaar m deze periode gemiddeld per maand ontvangen zou hebben als toelage voor onregelmatige dienst, inclusief vakantietoelage, op grond van dit hoofdstuk. Indien de uitkomst van het laatste bedrag het laagste is wordt het verschil toegekend als garantietoelage De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de garantietoelage bedoeld in dit artikel De garantietoelage vervalt met ingang van de dag dat de ambtenaar van functie wijzigt. Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar vermindert, dan wordt de garantietoelage naar evenredigheid verminderd. Slotbepaling Artikel 19a:29 De artikelen 3:1 lid 2 sub a, 3:2, 3:2:1, 3:3, 3:3:1, 3:4, 3:4:1, 3:7:8, 4:1, 4:2, 4:2:1, 4:2:2, en 15:1:10 lid 2 sub c zijn niet van toepassing op de ambtenaar bedoeld in dit hoofdstuk. In geval van verschil of tegenstrijdigheid tussen de bepalingen in dit hoofdstuk en de lokale bezoldigingsverordening, zijn de bepalingen uit dit hoofdstuk van toepassing. Bovenkant formulier 19b AANVULLENDE RECHTSPOSITIEREGELING VOOR DE AMBTENAAR IN EEN INSTELLING VOOR KUNSTEDUCATIE § 1: Algemene bepalingen Werkingssfeer Artikel 19b:1 Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie in de functie van: a.   docent, bedoeld in bijlage IVa1; b.   consulent, bedoeld in bijlage IVa1; c.    balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1. Begripsbepaling Artikel 19b:2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt. Functie-eisen Artikel 19b:3 Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR, afwijken van het eerste lid. Functioneringsgesprek Artikel 19b:4 Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een functioneringsgesprek gehouden. Verdeling van werkzaamheden Artikel 19b:5 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is met leerlingen; niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als lesgebonden uren; sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te delen in de volgende vier categorieën: het voorbereiden van lesgebonden uren; het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde instelling; activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden; algemene werkzaamheden in het belang van de instelling. Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR. Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is. Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. § 2: Salariëring Vaststelling salaris Artikel 19b:6 In plaats van bijlage II en IIa, bedoeld in artikel 3:1, derde lid, past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de ambtenaar. Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De functie van balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5; docent is gewaardeerd op schaal 8; consulent is gewaardeerd op schaal 9. Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast. Aanloopbedragen Artikel 19b:7 Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in bijlage IV. Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal. Uitloopbedragen Artikel 19b:8 In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen. Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats. Recht op toelage onregelmatige dienst Artikel 19b:9 Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag. De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en bedraagt 25% van de uren. Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt. § 3: Arbeidsduur en vakantie Vakantie-uren Artikel 19b:10 In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is aangemerkt als verplicht vrije periode of de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben gekregen van lessen/cursussen. Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato. De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur per week. Verplicht vrije periodes Artikel 19b:11 Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar verplicht vrij is. De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden. Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt. Vaststellen van het rooster Artikel 19b:12 In afwijking van artikel 4:1, eerste lid, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing. In aanvulling op artikel 4:2 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen 2 maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren. Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast rooster. Overgangsrecht Artikel 19b:13 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31 december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato. Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst zijn van de instelling. Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn Artikel 19b:14 Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13. Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een verplicht vrije periode Artikel 19b:15 Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. § 4: Ontslag en uitkeringen Overtolligheid Artikel 19b:16 Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren. Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde Artikel 19b:17 Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde gehanteerd: (deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking wensen te komen; aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen; (deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel. Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: •   van 15 tot 30 jaar; •   van 30 tot 45 jaar; en •   van 45 jaar en ouder. Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid. Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de formele arbeidsduur Artikel 19b:18 Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen. Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid. Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing. Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden. Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. Garantie-uitkering KV Artikel 19b:19 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder - de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen. - minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die: gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:3; in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest; aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon heeft ontvangen; ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft. De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van: een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden; twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden; drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden; ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden. De garantie-uitkering KV bedraagt: gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren, en vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren. In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren. De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen. Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat. Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan. Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig: als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere uitkering kan krijgen; met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen; op de dag na het overlijden van de ambtenaar; met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bovenkant formulier 20 VERGOEDING PIKETDIENST BEROEPSBRANDWEER

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel