**1..** Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt vastgesteld op:
100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, van de Participatiewet;
100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden wanneer voorafgaand aan de datum melding om bijstand door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet is behouden;
20 procent van de bijstandsnorm gedurende de periode die belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte, of redelijkerwijs kon beschikken, zou hebben aangewend;
20 procent van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat belanghebbende aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van een erfenis, waarmee hij, bij aanvaarding daarvan, zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan had kunnen voorzien;
20 procent van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat belanghebbende (volledig) aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van het hem toekomende deel van de boedel in het kader van een echtscheiding, waarmee hij (deels) zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan had kunnen voorzien.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de bijzondere bijstand die is verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet in zijn geheel verlaagd indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
**3..** In gevallen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Hoofdstuk 4.
Artikel 11.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Edam-Volendam 2017