In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen op grond van artikel 3, lid 1, onder a, alsmede de aanslagen op grond van artikel 3, lid 1 ,onder b voor agrarische bedrijven en grootverbruikers die op grond van artikel 8, lid 2 worden aangeslagen, worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
In afwijking van het eerste lid kunnen op verzoek van de belastingplichtige de aanslagen worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt en maximaal tien, indien aan het navolgende wordt voldaan:
Het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing of andere belastingen moet minder zijn dan € 6.600,00
De verschuldigde bedragen moeten door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven.
De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet enelk van de volgende termijnen telkens een maand later.
De voorlopige gevorderde bedragen en het definitief gevorderde bedrag op grond van artikel 3, lid 1, onder b die worden geheven op basis van artikel 8, lid 3, moeten worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de voorschotnota’s en de eindafrekeningsnota van het waterbedrijf moeten worden betaald.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande ledengestelde termijnen.