In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn:
de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie vast te stellen (wettelijk toetsingskader);
te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden);
de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen;
zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing.
De gids zal hiertoe via een vraagverhelderingsgesprek of nadat de aanvraag is ingediend de relevante sociaal-medische en ergonomische gegevens van een inwoner in kaart brengen en vervolgens een advies geven.
Als dat advies betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, kan het zijn dat het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek kan het college de inwoner laten oproepen door een deskundige die (zo nodig) op het niveau van een arts functioneert. Gaat het niet om het vaststellen van beperkingen dan kan het advies bijvoorbeeld ook door een paramedicus worden gegeven.
Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek) alvorens te beslissen op de aanvraag. Ook indien het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet kan er aanleiding zijn om advies op te vragen. Het college is dus niet verplicht om advies op te vragen.
Vraagstelling voor de medische adviesaanvraag
De gemeente bepaalt de inhoud en reikwijdte van de adviesaanvraag. Essentiële onderdelen van de medische adviesaanvraag zijn:
Welke objectief aantoonbare beperkingen heeft de aanvrager?
Welke belemmeringen in de participatie op de in artikel 4 lid 1 Wmo genoemde terreinen vloeien daaruit voort?
Zijn deze belemmeringen zodanig dat er, naar objectieve maatstaven, een langdurige medische noodzaak is voor verstrekking van een Wmo-voorziening?
Zijn er alternatieve (algemeen gebruikelijke en/of voorliggende) voorzieningen beschikbaar?
Zo nee, welke (combinatie van) Wmo-voorziening(en) biedt een zo adequaat mogelijke oplossing voor de belemmeringen?
Welke concrete, al dan niet aangepaste, voorziening wordt geadviseerd?
Als er meerdere oplossingen mogelijk zijn, wat is dan de goedkoopst-adequate?
Beoordeling advies
De inhoud van het (medische) advies wordt beoordeeld aan de hand van de volgende indicatoren:
Onderzoeksmethode en informatie
Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de inwoner te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies. Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is.
Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan kan het onvolledig zijn. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden.
Is de inwoner onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht.
Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens.
Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht.
Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies.
De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan door een andere deskundige mogelijk is.
Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 2.6
MEDISCH ADVIES
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Dronten 2017