Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 5.

Artikel 2.5.19.

Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen.

Onderdeel van Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend, dat de raad van deze gemeente in zijn vergadering van 15 maart 1993 heeft vastgesteld

1.. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoog­spanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. 2.. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtran­sportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, worden ge­bouwd. 3.. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.

Rechtspraak bij dit artikel