1. Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies
worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of
spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder
een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
buurthuis of clubhuis.
Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
aanhorigheden.
Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid
en/of verstrekt.
Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
artikel 2:28.
Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders
wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde
graad;
de personen die voorkomen in het register als
bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438,
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting
wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.
Artikel 2:27
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2010