Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Afdeling 2.

Artikel 3:9

Straatprostitutie

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2010

1.. Het is verboden aan of op de weg, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze worden verricht om zich ter prostitutie aan te bieden of een ander daarbij te ondersteunen. 2.. Het is verboden aan of op de weg gebruik te maken van de diensten van een prostituee dan wel op enigerlei wijze in te gaan op voorstellen, in welke vorm dan ook, om van die diensten gebruik te maken. Onder ingaan op voorstellen wordt mede verstaan het laten instappen of meerijden van een prostituee in of op een voertuig. 3.. Met het oog op de naleving van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op tijden nader aan te duiden in het besluit. 5.. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel