Bij fraudevorderingen waarbij de bijstand is verstrekt vóór 1 januari 2013 handhaven wij de regel dat ambtshalve en definitief buiten invordering stellen mogelijk is als gedurende vijf jaar geen aflossingen zijn ontvangen en de kans op ontvangsten in de toekomst gering is.
De meest voorkomende reden is het verblijf van de debiteur in het buitenland. De periode van vijf jaar start bij de laatste ontvangst of, als er geen aflossingen zijn ontvangen, op de dag van verzending van de brief die de titel is voor gerechtelijke incasso. Overschrijding van deze termijn is mogelijk als er een kans is om later alsnog tot incasso te kunnen komen, bijvoorbeeld bij toekenning van AOW.
Bij fraudevorderingen waarbij de bijstand is verstrekt na 1 januari 2013 geldt sinds 1 januari 2013 van rechtswege een verplichte termijn van incasso van tien jaar. Een besluit buiten invordering stelling betreft alle vorderingen die op een debiteur open staan: alle vorderingen tegelijk, in één besluit.
Bij niet-fraudevorderingen geldt dat wij die buiten invordering stellen als de debiteur AOW ontvangt en er geen aflossingscapaciteit is. Het is namelijk niet aannemelijk dat het inkomen na pensionering zodanig toeneemt dat wij op enig moment wel een aflossing kunnen vragen. Het bereiken van de AOW-leeftijd op zich is dus geen reden om af te zien van verdere terugvordering.
Het inkomen en de uitgaven – niet het hebben van andere schulden – zijn doorslaggevend: wij maken immers gebruik van onze wettelijke preferentie. Het kan niet de bedoeling zijn dat een debiteur wel aflost op schulden bij derden en niet op onze vordering.
Hoofdstuk 1
Artikel 14
Ambtshalve definitief buiten invordering stellen
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, verhaal en bestuurlijke boete Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2018