1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het
gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
gebouw behoort (conform handboek CROW-ASVV, versie 2004). Deze
ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met
de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,50 m
bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
dat bij dat gebouw behoort.
4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
van het bepaalde in het eerste en het derde lid:
a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.30
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Onderdeel van Bouwverordening 2010