1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding
van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden
indien gevaar of hinder te duchten is. Van gevaar of hinder moet in
ieder geval worden uitgegaan als zich binnen 100 meter vanaf de
bouwlocatie woningen of een school bevinden.
2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst
en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en
de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals
leidingen, er niet door wordt belemmerd.
3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.