**1..** De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning:
door 1 persoon € 86,70;
door 2 personen € 120,70;
door 3 personen € 154,70;
door 4 of meer personen € 207,70.
**2..** Het aantal personen, als bedoeld in het eerste lid, dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar.
**3..** Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
**4..** De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel die niet in hoofdzaak tot woning dient 0,0551%.
**5..** De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2018.
**6..** Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
**7..** Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
**8..** Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6