Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3. › Paragraaf 3.1

Artikel 16.

Hoogte van de aflossing na beëindiging van de uitkering of bij geen uitkering

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ

Als een extra inkomen volledig teniet wordt gedaan als gevolg van het volledig benutten van de extra aflossings-capaciteit, dreigt elke stimulans om te blijven werken teniet te worden gedaan. Werk gaat boven uitkering. Om de uitstroom uit de uitkering zoveel mogelijk te bevorderen blijft de aflossing gedurende 6 maanden ongewijzigd. Daarnaast wordt hiermee voorkomen, dat na een werkaanvaarding de belanghebbende direct gewijzigde inkomensgegevens moet overleggen. Na een periode van 6 maanden is de termijn van uitstroom zodanig lang dat een terugval in de uitkering niet voor de hand ligt en kan de belanghebbende gegevens overleggen die een correct beeld geven van zijn of haar inkomen. Lid 2 en lid 3 gelden ook bij terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, waarvan de verstrekking is geschied op basis van artikel 48, lid 3, PW en artikel 50 PW (eigen woning) voor zover in de toekenningsbeschikking dan wel in de hieruit volgende hypotheekakte geen specifieke aflossingsregeling is opgenomen. Lid 4 heeft betrekking op vorderingen van geringe omvang. Van een bijzondere situatie is bijvoorbeeld sprake wanneer de belanghebbende naast de ontstane vordering nog elders een al lopende betalingsverplichting heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel