Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.1

Regels rond verstrekking en verantwoording.

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal

Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. De omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de voor de gemeente in de desbetreffende situatie goedkoopst-adequate te verstrekken voorziening in natura. Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; of belanghebbende op korte termijn de gemeente verlaat. Door het college wordt terughoudend omgegaan met het verstrekken van een persoonsgebonden budget, indien er sprake is van: een voorziening die voor een relatief korte periode wordt verstrekt; bijvoorbeeld bij jonge kinderen of bij ouderen op hoge leeftijd; of een progressief ziektebeeld en de desbetreffende voorziening binnen redelijk korte termijn niet meer adequaat is; of het een voorziening betreft waarbij veel specialistisch individueel maatwerk van toepassing is. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt plaats bij: De aan te schaffen voorziening: Binnen een periode van drie maanden, nadat de gelden voor een persoonsgebonden budget op de girorekening of bankrekening zijn overgemaakt, wordt door de budgethouder aan het college verstrekt: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; het onderhoud/reparatiecontract (inclusief bewijs betaalde premie). Hulp bij het huishouden Na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt door de budgethouder aan het college of een uitvoerende instantie, die daarvoor zorg draagt, een overzicht van de salarisadministratie verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel