**1..** Het college stelt een verlaging vast als:
aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of;
de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of;
belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of;
belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
**2..** De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:
100% van de uitkering gedurende één maand bij een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
100% van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
100% van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
100% van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 18.
Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017