De voorziening sociale activering kan zolang worden toegepast als door het college noodzakelijk wordt geacht.
De voorziening wordt beëindigd wanneer naar het inzicht van het college de werkzoekende:
a. voldoende vorderingen heeft gemaakt ten aanzien van houding en gedrag, of
b. vrijwel geen vorderingen heeft gemaakt en naar verwachting ook niet zal maken ten aanzien van houding en gedrag.