De leidinggevende of vertrouwenspersoon bespreekt samen met de melder welke risico’s op benadeling aanwezig zijn, op welke wijze die risico’s kunnen worden verminderd en wat de werknemer kan doen als hij van mening is dat sprake is van benadeling.
Als de melder vindt dat er daadwerkelijk sprake is van benadeling, kan hij dat bespreken met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon en de melder bespreken welke maatregelen genomen kunnen worden om benadeling tegen te gaan. De leidinggevende of vertrouwenspersoon maakt een verslag van deze bespreking en stuurt dit na goedkeuring door de melder naar de directie.
De directie zorgt ervoor dat maatregelen die nodig zijn om benadeling tegen te gaan worden genomen.
Hoofdstuk
Artikel 5
Het tegengaan van benadeling van de melder-vertrouwenspersoon
Onderdeel van Regeling melden vermoeden misstand