Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 7

Artikel 27

De begroting

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling GGD Drenthe

1.. Het dagelijks bestuur maakt elk jaar op voorstel van de directeur een ontwerpbegroting voor het komend dienstjaar op en een meerjarenraming, voorzien van de nodige toelichting en specificaties. 2.. Met in achtneming van de artikelen 34 en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en – voor zover van toepassing – het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten: zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting, inclusief de meerjarenraming en een raming van de door elke gemeente verschuldigde inwonerbijdrage, acht weken voordat deze door het algemeen bestuur wordt vastgesteld, vergezeld van een toelichting, voor zienswijze toe aan de raden van de deelnemende gemeenten; wordt de ontwerpbegroting door de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld; kunnen de raden van de gemeenten binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur schriftelijk hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen; voegt het dagelijks bestuur deze zienswijzen met voorstel voor afhandeling bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur; stelt het algemeen bestuur de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient; zendt het algemeen bestuur, nadat deze is vastgesteld, de begroting binnen twee weken na vaststelling toe aan de raden van de gemeenten. De in de begroting geraamde gemeentelijke bijdragen in de kosten van GGD Drenthe worden door de gemeenten opgenomen in de gemeentebegroting van het betreffende jaar; kunnen de raden hierover schriftelijk bij Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren brengen en sturen hiervan een afschrift aan het dagelijks bestuur; zendt het dagelijks bestuur de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch uiterlijk vóór 1 augustus aan Gedeputeerde Staten. 3.. De inwonerbijdragen, bedoeld in lid 2a van dit artikel, voor de activiteiten bedoeld onder artikel 5, lid 1, worden vastgesteld op basis van het aantal inwoners per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het dienstjaar conform de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers. De overige bijdragen van de gemeenten en derden worden bepaald op grond van door het algemeen bestuur vastgestelde tarieven. 4.. Als de begroting en de begrotingswijzigingen de goedkeuring behoeven van Gedeputeerde Staten, moet onder lid 2h gelezen worden dat de begroting ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten wordt toegezonden. Artikel 208 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 5.. Op een begrotingswijziging zijn de bepalingen van dit artikel zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, voor zover die wijziging zal leiden tot een verhoging van de inwonerbijdragen voor de taken van artikel 5, lid 1. Andere begrotingswijzigingen kunnen vastgesteld worden door het algemeen bestuur zonder toepassing van lid 2c en 2d van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel