Het college kent een individuele voorziening toe indien en voor zover in het gesprek en perspectiefplan zoals bedoeld in artikel 3.5 vastgesteld is dat:
een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;
de jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2.
Artikel 3.9